1779

6 juli 2020

Dat sprach es wieder ohne Stimme zu mir: „Was weisst du davon! Der Thau fällt auf das Gras, wenn die Nacht am verschwiegensten ist.” —

Friedrich Nietzsche Also sprach Zarathustra. I-IV, KSA 4, 188

Daar sprak het weder zonder stem tot mij: 'Wat weet gij daarvan! De dauw valt op het gras, als de nacht het stilzwijgendst is.' –

Friedrich Nietzsche Aldus sprak Zarathoestra. Een boek voor allen en voor niemand, 122 (vertaling dr. P. Endt en H. Marsman)

En weer hoorde ik toonloos tot me spreken: 'Wat weet je daarvan! De dauw valt op het gras als de nacht het diepst zwijgt.' —

Friedrich Nietzsche Aldus sprak Zarathoestra, 150 (vertaling Wilfred Oranje)

Toen klonk het opnieuw zonder stem: "Wat weet u daarvan? De dauw valt op het gras wanneer de nacht het zwijgzaamst is." –

Friedrich Nietzsche Zo sprak Zarathoestra. Een boek voor iedereen en niemand, 135 (vertaling Ria van Hengel)

1778

4 juni 2020

Ik stond op met het aangename, tevreden gevoel dat ik simpelweg mezelf kan zijn en dat ik als daad van verzet in deze wereld van concurrentie en strijd in succesvol-zijn, beter-zijn enz., dat ik als daad van verzet niet deze competitie behoef aan te gaan en dat een ieder die impliciet of expliciet, bewust of onbewust mij beoordeelt, benadert of op mij reageert met normen en waarden die niet (meer) de mijne zijn, dat die in mijn gedachten kan rekenen op een welgemeende, maar vriendelijk opgestoken middelvinger. Ik sta mezelf deze luxe toe, een luxe die niet te koop is.

Veel mensen geven zin en betekenis aan hun leven door wat ze doen. Hun baan, hun inkomen, hun vakanties, de kinderen, vrienden en relaties. Het kijk-ons-eens-blij-en-gelukkig-en-bevoorrecht zijn. Deze onuitroeibare gereformeerde visie - totaal geïncorporeerd in onze liberale samenleving - dat geluk en welzijn behoort te worden verdiend door hard werken en de genade van de vrije markt. Wie niet hard werkt is een parasiet, een paria, een moreel onaanraakbare die financieel verstoten dient te worden naar de goot van de maarschappelijke snelweg waar anderen elkaar voortdurend proberen in te halen, bumperkleven en de pas afsnijden in hun ratrace naar een beter leven, een leven dat zich altijd in de toekomst, ergens achter de horizon of in een imaginaire hemel bevindt.

Ik wens zin en betekenis te geven aan mijn leven in de ruimte die ontstaat door juist niet te doen, te laten. Alleen zo kan ik vrij ademen en op een gezonde, ontspannen wijze mijn werk doen. De prijs die ik hiervoor betaal is, dat ik niet meer interessant ben voor anderen, dat er met mij geen eer te behalen valt, dat het geen nut of zin heeft om met mij gezien te worden. Vandaar dat het aantal vrienden dat overgebleven is een kleine, selecte groep is geworden. Ik ben ze dankbaar.

Hij had besloten mee te doen, althans het te proberen, met een schrijfwedstrijd met als thema Rebellen en Dwarsdenkers. Niet met de intentie om te winnen, om beter te zijn dan anderen, maar eenvoudigweg om te kijken wat het zou opleveren en of het hem überhaupt zou lukken iets op het beeldscherm te krijgen.

1777 | marginalia (6)

31 mei 2020

[22 mei 2020]

Snippers, dacht hij, wat doe je met snippers? Fragmenten die slechts uit één zin bestaan. Of misschien dat niet eens. Eigenlijk had hij er hekel aan wanneer schrijvers om het effect een zin met veel aplomb tussen twee witregels zetten, om een zin belangrijker te maken dan hij is, als een conclusie die onweerlegbaar uit het voorgaande zou moeten blijken. Maar zijn snippers zouden niet uit het voorgaande voortkomen, ze zouden geïsoleerd staan, zonder context, zomaar. En waarom? Hij wist het niet.

Het ongemakkelijke inzicht dat dat wat hij wegzet als marginaal, eigenlijk wel eens de kern zou kunnen zijn.

Waarom hij de ene keer in de derde persoon en de andere keer in de eerste persoon schrijft, dat wist ik niet.

[29 mei 2020]

Alles moet anders, zei hij. Hoezo, alles moet anders, vroeg hij. Nou, als we met zo velen op de wereld zijn, dan moeten we rustiger, kalmer, bescheidener zijn, constateerde hij. Hoe wil je dat bereiken, vroeg hij. Door stil te zijn, opperde hij. Door stil te zijn, vroeg hij verbaasd. Ja, door de veranderingen niet na te streven. Door niets te willen bereiken, bereik je alles. Door niets te doen, blijft niets ongedaan. Laozi, weet je wel, leerde hij. Bullshit, concludeerde hij. Inderdaad, lachte hij. Maar toch, zeiden ze tegelijk.

[30 mei 2020]

De gedachte kwam op dat waar de westerse filosofie vooral naar fundamenten zoekt, het aziatische denken vooral gericht lijkt op de ervaring dat er helemaal geen fundamenten zijn.

[31 mei 2020]

Eerste Pinksterdag. Met zonsopkomst het bos in. Ik hoopte vandaag niemand tegen te komen en dat is lange tijd gelukt. Aan het einde van de wandeling liep ik langs een fietspad en het was voorspelbaar dat juist daar verkeer langs zou komen. – Het geluid van de banden van een racefiets op het asfalt klinkt als het aanvliegen van een bijenzwerm. – In het begin van de wandeling realiseerde ik me een moment dat ik het orgelpunt van het verkeer niet hoorde, het was zowaar lange tijd afwezig. - Soms heb ik de stille hoop dat de hele mensenwereld tot stilstand komt, zoals in het boek en film De wand –. Mijn neus is niet mijn sterkste zintuig, maar vandaag had ik een paar maal de sensatie het bos te ruiken!

De zwijgzaamheid van de bomen in het bos lijkt op de zwijgzaamheid van mijn boeken en ik vroeg me af wat ze me te vertellen zouden hebben als ze konden spreken.

Vaak voer ik hele gesprekken met Fritz, maar vandaag liep hij steeds achterop en als ik ergens stilstond om te luisteren en te kijken, liep hij zonder wat te zeggen voorbij en keek ik lange tijd naar zijn rug wanneer ik verder liep. Totdat hij ergens stil stond om wat te noteren in een schrift en ik hem passeerde. Waarschijnlijk kon hij het niet uitstaan dat ik in gesprek was met Arna. Arna was onlangs op televisie. Een jonge architecte met een idealistische kijk op haar vak. Haar architectuur wil inclusief zijn, verbindend, de verschillen tussen mensen overstijgend en rekening houden met de geschiedenis van de plek waar gebouwd gaat worden. Natuurlijk heeft dat alles te maken met haar oorlogservaringen als kind in Mostar. Ze had ogenblikkelijk mijn sympathie. Ik zag vooral ook een mooie jonge vrouw. Tash mengde zich in het gesprek – Tash is een afkorting van Natasha –. Ik moet me ooit geabonneerd hebben op haar youtube kanaal, want afgelopen vrijdag doemde er ineens een registratie van één van haar liveconcerten op. Ik was meteen gefascineerd door haar en haar muziek en vooral, dat ze als een one-woman-band op het podium stond, steeds wisselend van instrument. Zoals zo vaak met muziek is het moeilijk om precies vast te leggen wat me nu zo fascineerde. Haar muzikaliteit? Haar timing? Het plezier van het optreden? – Ik ben van mening dat ik kan horen wanneer iemand met plezier muziek maakt en niet alleen professioneel veinst met plezier muziek te maken –. Alles klonk zo sprankelend, ik bleef er maar naar luisteren. Of kwam het door haar prachtige blauwe ogen dat ik zo onder de indruk was. Iets in die ogen had ik eerder gezien. Ze leek in niets op Arna, maar ik kon minstens zo verliefd op haar worden. Het bewijst maar weer dat ik niet val voor blond of donker, lange of korte benen, grote of kleine borsten of wat mannen altijd maar aandragen als het ze over het uiterlijk van vrouwen hebben, maar dat het uiteindelijk de uitstraling is, een manier van kijken, van bewegen, van poëzie. Misschien is het hun zelfbewustzijn waar ik me aan laaf.

Niet vergeten dat het de hormonen zijn en niet het verstand of het gevoel waar mensen naar luisteren.

1776 | marginalia (5)

23 mei 2020

Hoe vroeger de wandeling des te mooier het ochtendlicht tussen de bomen.

De nieuwe wandelschoenen zijn vriendelijk voor me, geen pijn, geen blaren, ook niet na een lange wandeling. Ze lijken zich vrijwillig en gemakkelijk te vormen naar mijn voeten.

Nu een groot deel van Heidestein is afgezet voor publiek, loop ik om het afgezette gebied heen. In mijn langzame tempo en met de momenten van stilstaan om rond te kijken en te luisteren een wandeling van ongeveer twee en een half uur.

Foto gemaakt van een boom die over het voetpad heen gevallen is. Bomen trekken zich, terecht, niets aan van de wegen van mensen.

Het bos was eveneens vriendelijk voor me. Het fluisterde me het verhaal in waar ik naar op zoek was. Het begin is er, het einde ook en vele flarden van fragmenten voor het middenstuk. Hoe langer ik erover nadacht, hoe meer ik in het verhaal verloren liep. Ik zag het als het ware voor me, de plaatsen, de personages. Nog helderder dan bij De Avondwandeling.

Nu kwam ik dus thuis met een blok klei dat nog geboetseerd moet worden. Nu mogen mijn vingers gaan wandelen terwijl mijn voeten tot rust komen.

Er zijn mensen die gaan wandelen in de natuur om hun hoofd leeg te maken. Ik wandel om ruimte en rust te creëren en om te luisteren naar wat er in mijn hoofd met mij mee wandelt en een gesprek met mij voert. Er openen deuren en luiken, zolders en kelders en er dienen zich beelden en verhalen aan waarvan ik dacht dat ik ze kwijt was.

1775 | marginalia (4)

22 mei 2020

M. typeerde enkele filosofen als 'intellectuele wabi-sabi, met een randje'. Dat beeld bevalt me wel, ik moest erom lachen.

Ik heb een hekel gekregen aan laat opstaan, ik heb dan het gevoel dat ik mooiste en productiefste uren mis. Ook op vrije dagen. Juist op vrije dagen. Ik wil de tijd benutten, al was het maar met niets doen, met dagdromen, reflecteren. Ik wil zoveel mogelijk tijd overhouden voor activiteiten waar ik echt om geef. Toch houd ik ook van de late avonduren en dat conflicteert. Ik heb het al eens geprobeerd, minder slapen, ongeveer vijf uur per nacht. Het doet me geen goed, ik heb echt zeven à acht uur slaap nodig. Zelfs dan overkomt het me nog wel eens, dat tijdens het lezen mijn ogen dicht vallen. Eerst de fase dat ik ze nauwelijks open kan houden, dat ik meer moeite ga doen om te focussen op wat ik lees. Dan de fase dat het niet meer lukt, de letters blijven vaag. Het volgende ogenblik word ik wakker, vaak het boek nog in de hand.

Mijn boekenkast is een delta. Als ik al die boeken overzie die ik lees, die ik wil lezen, die ik heb gelezen, dan zie ik allemaal vertakkingen. Natuurlijk is daar de stroom met boeken van en over Nietzsche en de stroom die zijn eigen weg gaat, het taoïsme. Hoofdstromen die zelf weer vertakkingen hebben. Daar kronkelt de Nederlandse literatuur met zijstromen van enkele auteurs. Hetzelfde geldt natuurlijk voor de buitenlandse literatuur. Ik kan eindeloos doorgaan. Het mooiste is wanneer verschillende vertakkingen elkaar kruisen en samen komen. Het zou mooi zijn wanneer dit alles in een zee uitkomt en die zee zou dan een boek geschreven door mezelf moeten zijn. Ik kan die zee niet zien, het ligt voorbij de horizon.

1774 | marginalia (3)

19 mei 2020

NRC Het is stil op straat, maar je hoort de buren meer

Het is als met tijd. Tijd kun je meten, handig voor wetenschappers, maar je kunt tijd ook ervaren en dan duurt die ene seconde een eeuwigheid. Meneer Bergson. Met stilte is iets vergelijkbaars aan de hand, meen ik. Geluidsterkte kun je meten, handig voor onderzoekers. Maar je kunt geluid niet in een reageerbuis proppen en vervolgens wat stilte toevoegen om te kijken of het geluid afneemt. Stilte is geen afwezigheid van geluid (denkend aan het boekje Niets van Frank Close, waarin hij beschrijft dat een vacuüm niet hetzelfde is als leegte). Stilte wordt net als tijd niet als een natuurkundig fenomeen ervaren en waar je bij tijd nog op de klok kunt kijken, zo kijken maar heel weinig mensen op een geluidsmeter om het aantal decibel van het moment te bepalen. Meneer Bell. Stilte is een andere vorm van geluid. Stilte kan oorverdovend zijn (denk aan de seconde die een eeuwigheid duurde). Stilte kan als een stem uit de hemel komen, er zijn gelovigen die menen God te vinden in de stilte. Meester Eckhart. Stilte kun je ruiken, proeven, voelen en in zeldzame gevallen: zien. Maar bovenal kun je stilte horen. Bij het denken over stilte gaan bij mij altijd de alarmbellen rinkelen en dalen de spoorbomen: pas op, zweverigheid ligt op de loer. Hoe kan ik de juiste formulering vinden om te omschrijven wat stilte is? Waarin onderscheidt stilte als geluid zich van dat andere geluid, het lawaai? Waarom is het bulderen van een storm stilte en het geluid van een bladblazer lawaai? Is stilte vanzelfsprekend geluid? In tegenstelling tot geluid dat geforceerd is? Het waaien van de bomen, het klotsen van het water, het loeien van een koe? In tegenstelling tot een voorbij rijdende brommer, een startende auto, ruziënde buren? Dat zou lawaai tot iets menselijks maken. En, zou muziek zonder stilte lawaai zijn? Zou een tekst zonder voldoende ruimte om tussen de regels te lezen, lawaai zijn? Zou een dans zonder stilstand lawaai zijn? Zou een schilderij ... ik hoor de slagbomen dalen. Minder menselijke activiteit betekent meer stilte, betekent meer ruimte om in te vullen, betekent meer mogelijkheden om creatief te zijn. En hebben we daar een virus voor nodig om daar achter te komen?

1773 | marginalia (2)

18 mei 2020

Toen ik vanochtend voordat ik aan het werk ging nog even een boswandeling maakte, moest ik terugdenken aan mijn wandelingen vanaf het Amsterdamse Centraal Station naar mijn werk aan het Molenpad. De stilte van een stad voor de storm. Hooguit een bevoorrading hier en daar, een enkele toerist die met zijn rolkoffer vroeg op pad is of de vrouwen die zichzelf al in de etalage zetten op dat tijdstip. In die tijd verzon ik mijn stukjes gedurende die wandelingen en op mijn werk vond ik dan vaak een moment om het op te schrijven. De tijd dat mijn website nog een weblog was met een mogelijkheid om te reageren. De tijd dat je elkaars weblog bezocht, op elkaar reageerde, elkaar een beetje leerde kennen. Nu is de functie door facebook overgenomen en mis ik de creativiteit die sommige webloggers in de vormgeving van hun weblog legden.

En meneer Tuli die ik onderweg altijd even groette.

Drie eekhoorntjes vanochtend die aan het rondrennen waren en in bomen klommen. Ik keek op een afstandje toe. Hun huppelen deed mijn gemoed even opspringen.

Een programma als Tokidoki stipt alleen maar aan. Toont zonder oordeel. Ik verwonder me mee met mevrouw Cornelisse. De atomisering van een samenleving, is dat de prijs die Japan betaald voor het succes van een vrije markteconomie? Of zijn er andere oorzaken aan te wijzen voor het verschijnsel dat veel Japanners zich willen onttrekken aan sociaal contact. Een overgeorganiseerde samenleving met veel geschreven en ongeschreven regels in de omgang. Voorspelbaarheid, maar wellicht ook een cultuur van schaamte wanneer men niet kan voldoen aan de te hoge verwachtingen van de groep. Dan distantieert men zich liever. Wie het contact vermijdt, kan ook niet falen. Fortificatie die leidt tot zelf-isolatie (fysiek en mentaal). De machteloosheid tegenover de grote, boze buitenwereld. Zou het leren van een stoïcijnse levenshouding helpen? Ik moet denken aan de films van Ozu, waarin aandacht voor de conflicten tussen de oudere en jongere generatie. Kinderen die zich willen onttrekken aan de dwingende etiquette, niet luisteren, brutaal zijn. Ik zie het verband met het huidige Japan niet.

Ik vroeg me af hoe een programma eruit zou zien als een Japanse collega van mevrouw Cornelisse naar Nederland zou afreizen om een vergelijkbaar programma te maken. Waarover zou hij of zij zich verwonderen? Welke Nederlandse woorden zou zij als uitgangspunt nemen? Gezellig, lekker, leuk, uitdaging …? Woorden die hoog scoren tegenwoordig.

Een collega die bedankt voor alle berichten en zegt dat ze het probleem nu in scope heeft. Gruwel. Ik zal nooit wennen aan taalvervuiling.

Kenkō, 25: Zo zie je maar dat het geen zin heeft om plannen te smeden voor een toekomst die je nooit zult beleven. De toekomst ligt altijd achter de horizon. Perspectief bieden met zogenaamde stippen op de horizon is onzin als het om een perspectief in de toekomst gaat. Men kan nooit zien wat er voorbij de horizon ligt. Plannen maken voor de toekomst geeft richting, maar men moet er altijd rekening mee houden dat ze niet verwezenlijkt zullen worden. Toen ik twintig was kon ik me niet voorstellen dat ik getrouwd en vader was op mijn dertigste. Op mijn dertigste kon ik me niet voorstellen dat ik voorbij mijn veertigste in een groot huis in B. zou wonen. Toen kon ik me niet voorstellen dat ik tien jaar later alleenstaand in een flat in Z. zou wonen. Hoe zal mijn leven eruit zien wanneer ik vijfenzestig ben? Haal ik de vijfenzestig überhaupt?

Is het eigenlijk wel mogelijk de tijd als een landschap te zien?

1772 | marginalia (1)

17 mei 2020

Leven is als het lezen van een boek terwijl het geschreven wordt. Alleen, spelfouten, grammaticale oneffenheden, kromme zinnen, alles wat een schrijver zou willen verbeteren, dat valt niet te herstellen. Maar het is wel jouw boek en jij bent de enige lezer. De vraag van Nietzsche dient zich aan: zou je je leven keer op keer willen herlezen? Ondanks alle pijn en verdriet is mijn antwoord steeds vaker een volmondig ja!

Het lijkt wel alsof het loof dichter en groener is dan ooit.

Mijn boek zal dan aanvangen zoals het laatste boek van Brouwers met het beletselteken en eindigen met een vraagteken.

Het bos was op haar best vanochtend. (Is het bos vrouwelijk? Het zou vrouwelijk moeten zijn.) De belichting van de ochtendzon, het blikkeren op het water van het ven terwijl de kikkers kwaakten, de polyfonie van de vogels, alles zo prachtig dat ik me niet eens stoorde aan het altijd aanwezige orgelpunt van het geluid van het verkeer op de snelweg. Een tijd stilgestaan om te luisteren. Het verlangen om eindeloos te wandelen. Ik moest weer aan de film Compostella denken. Maar vandaag niet, vandaag een korte wandeling om mijn nieuwe wandelschoenen in te lopen. Als je dan toch een schoen moet zijn, dan kun je maar beter een wandelschoen zijn, dan zie je tenminste nog iets in je schoenenleven. De oude schoenen stonden er een beetje beteuterd bij, na vier, vijf jaar trouwe dienst, het profiel versleten, naden die beginnen los te laten. Het spijt me jongens, jullie tijd zit er op, maar ik zal jullie nog niet wegdoen, jullie mogen hier nog een mooi pensioen genieten.

Natuurlijk is het vooral het fragmentarische van Kenkō dat me aantrekt. Teksten als marginalia bij het leven. Vaak lijken de verbanden tussen de teksten volkomen te ontbreken, het enige dat ze verbind is de persoonlijkheid van de schrijver. Boek der rusteloosheid van Pessao, de nagelaten fragmenten van Nietzsche. De gedichten van M.I. wellicht? Zijn mijn teksten ook geen marginalia bij mijn leven? Of zijn ze daarvoor tegenwoordig teveel gecomponeerd? Als ik er nu eens toe overging om al die kleine fragmenten die mijn website nooit halen eens te gaan zien als marginalia en ze eenvoudigweg te plaatsen, misschien dat dat mijn verlammende onzekerheid enigszins doorbreekt?

1771

13 mei 2020

Wordt het niet eens tijd dat jwl wat meer op de voorgrond treedt? vroeg hij me. Nee, zei ik, het is goed zo. jwl hoeft geen tientallen volgers die liken en reageren. Nu kan het zich de illusie veroorloven niet gelezen te worden en dat vindt jwl prettig. Ja maar, zei hij, waar doen we het dan voor? Nergens voor, antwoordde ik. We schrijven en het gegeven dat we het geschrevene online zetten maakt, dat de mogelijkheid bestaat dat iemand anders dan wij het leest en dat zorgt ervoor dat we er meer aandacht aan besteden, alsof we schrijven voor een publiek, het zorgt ervoor dat we schrijven en herschrijven, timmeren en schaven. Of we laten het geschrevene uiteindelijk verdwijnen in een digitale leegte. Maar niemand hoeft het te lezen en iedereen mag het lezen, mag er een mening over hebben, een oordeel zelfs en dat mag via een digitaal bericht naar ons toe geslingerd worden. Het zal me raken, het zal me ontmoedigen, het zal bevestigen wat ik toch al wist. En dat is? Dat ik geen schrijver ben, dat ik dat nooit zal worden. Net als die pelgrimage naar Santiago de Compostella die ik nooit zal lopen en al zou ik het proberen, ik zou die stad nooit willen bereiken. Zo wil ik het schrijverschap ook niet bereiken, want daar kun je van zeggen dat het niet bestaat. Het zijn slechts twee armen met handen met vingers die een beetje ratelen op een toetsenbord. Het zijn twee ogen die lezen en een mond die voorleest om te kijken of het een beetje wandelt, die teksten van mij.

Ik weet wel wat jij wilt, zei hij, jij wil helemaal niet naar Santiago, jij wil terug naar Taizé, omdat je daar iets verloren hebt. Daarom schrijf je en je schrijft zogenaamd niet meer aan haar, maar ontken het maar niet, eigenlijk schrijf je nog steeds voor haar. Je blijft om haar heen cirkelen, maar de afstand wordt steeds groter, je begint te stamelen, je begint te zwijgen, je sluit je ogen en je vingers ratelen niet meer. Die hele jwl is eigenlijk één grote brief. Flessenpost noem je het, in de virtuele zee, zeg je, maar je hoopt niet op een willekeurige lezer, je hoopt niet dat het ongelezen zal blijven, je hoopt op die ene lezeres en dat ze op een dag zal voorstellen om een wandeling te maken. Je wil dat zij een keer het initiatief neemt, maar dat doet ze niet, dat weet je heel goed. Het is een hopeloze missie, jwl, geef dat nou maar toe. Ze bestaat niet meer, zoals jij je haar herinnert, dat weet je verdomde goed. Ja, je zult haar stem herkennen en haar ogen, maar dat is alles, het is nu een andere vrouw, een moeder, een ex, een vriendin van een nieuwe man wellicht. Je hoeft haar niet te vergeten, maar in al dat wachten en hopen mis je al die andere verhalen die er ook zijn, die zich keer op keer aandringen, je toeroepen, maar jij ziet en hoort ze niet, jij bent blind en doof geworden. Zij is slechts een geïdealiseerde herinnering, een droombeeld, een geromantiseerde muze, ze bestaat niet, je kunt haar niet eens in een digitale leegt gooien, zij ís de leegte.

Weet je wat nou zo grappig is, zei ik, dat alles wat je me hier voor de voeten gooit, eigenlijk over jou gaat. Niet ik cultiveer de melancholie, jij doet dat, voortdurend. Nee, ontken het maar niet, het is allemaal projectie, waarde vriend. Als iemand haar moet loslaten als een ballon die wordt meegevoerd op de wind naar verre streken en tijden, dan ben jij dat wel. Ik heb wel wat beters te doen, ik heb zo mijn verantwoordelijkheden, ik heb geen tijd voor die dromen van jou. Jij bent degene die steeds sentimenteel wordt als muziek of een scene uit een film herinneringen oproept. Op het emotionele incontinente af! Hou daar nou eens mee op, laat me met rust, laat me mijn leven leiden die ik wil leiden, binnen de bladzijden van mijn boek. Laat me zo nu en dan aan haar denken, ja, zoals ze was, een dierbare herinnering. Het enige dat ik vrees, dat geef ik toe, is dat ik op een dag in de krant lees dat ze dood is, dat de mogelijkheid van een ontmoeting voor eeuwig onmogelijk geworden is. Maar dat zal me niet belemmeren mijn verhaal te leven.

Hij wist dat ik gelijk had. Somber keek hij naar een onbestemde plek in de ruimte, ergens achter de boekenkast. Toen keek hij op en we keken elkaar in de ogen, hij met zijn vochtige ogen en ik met mijn glimlach. We wisten dat we aan hetzelfde dachten.

1770

24 april 2020

Altijd had hij het gevoel te moeten zoeken naar een diepere zin. Het was een vanzelfsprekendheid geworden, een tic wellicht, waar hij maar niet vanaf kwam. Het vermoeide hem zeer, hij zou wensen dat hij die gedachten niet had. Kon hij het maar uitschakelen en net zo schijnbaar oppervlakkig leven als zoveel mensen leken te doen. Niet dat hij meende dat die mensen zorgelozer leefden dan hij, nee, ook die mensen hadden natuurlijk hun dagelijkse problemen. Niet dat hij meende dat die mensen nooit nadachten over de zin van het leven, zeker niet, maar hij kreeg vaak de indruk dat zoveel andere mensen makkelijker leefden, spontaner misschien, dat zij minder of niet gehinderd werden door gedachten dat er meer moest zijn. Hij moest zo nodig altijd de diepte in, ook in gesprekken en aangezien hij geen talent `had voor small talk, zweeg hij liever in grote gezelschappen. Als een geoloog op zoek naar diepere lagen voorbij het oppervlakkige en daarbij altijd de verlammende angst dat die diepere lagen uiteindelijk ook niet van betekenis zouden zijn – was niet elke laag ooit oppervlakte geweest en voegde niet elk tijdperk zijn eigen afzetting toe? –, dat maakte dat hij elke zingeving van het leven in toenemende mate niet meer serieus kon nemen.

Iemand vertelde hem onlangs dat het niet gaat om het doel, maar om de weg ernaartoe. (Die iemand was hij zelf natuurlijk.) Dat leek hem als een lange reis maken naar een bestemming die er niet is. Natuurlijk, je kon onderweg pittoreske plaatsen en schitterende vergezichten tegen komen, dat zou dan troostrijk kunnen zijn voor de afwezigheid van een reisdoel. De zin van het onderweg-zijn: niet een plek maar het verplaatsen zelf als doel stellen, als zinvol. Obstakels tegenkomen, problemen oplossen, de dynamiek daarvan, de ontwikkeling van een persoonlijkheid. Maar daarvoer hoef je toch niet te reizen door de ruimte, dat kan toch ook op één plek, hier achter het bureau, lezend en schrijvend?

Het bleef knagen. Mooie gedachten, mooie woorden, maar wat is de zin van al die zelfoverwinning en -ontplooiing waar niemand op zit te wachten als het einddoel er niet is (behalve dan: de dood), zou al dat gedoe dan uiteindelijk ook niet zinloos zijn? Of is het louter ontspanning van al die arbeid waarvan we ten diepste weten dat het in het licht van de eeuwigheid volstrekt nutteloos is? Kon hij dan niet beter thuis blijven en zich laten troosten door de schoonheid die voor de hand ligt? Als de zoektocht naar zin alleen maar de afwezigheid van betekenis opleverde, zou de zinloosheid dan ook niet afwezig zijn?

Als het leven geen zin heeft, dan is het evenmin zinloos. Het leek hem een bevrijdende gedachte die weliswaar een gigantische leegte creëerde, een leegte achtergelaten door afwezigheid, maar eveneens ruimte gaf, mogelijkheden in zich droeg, potentie bezat. Het zou misschien een enorme knal in zich kunnen dragen waaruit een nieuw universum zou kunnen ontstaan. Zoals zijn kleine universum vol met eeuwig rondtollende gedachten op zoek naar een zin. Al zeventien jaar lang.

1769

29 maart 2020

We lopen door verlaten straten.

Mensen worden ziek, er vallen doden. Mensen moeten binnen blijven, bewaren afstand. Het is stil geworden.

Ogen kijken alsof bij iedereen een geest op de schouder zit, een geest van misschien. Mannen en vrouwen gaan bedachtzamer, trager, alsof de wereld een klooster geworden is en zij met hun winkelwagentjes door kloostergangen denderen.

De lucht is ontsmet en de tijd vooruit gezet.

De economie is geworden als passerende bussen met eenzame bestuurders. Er blijkt geld te zijn. De vraag wat is werkelijk belangrijk wordt weer gedeeld. Er is het ongelijk van de ongelijke verdeling.

Er is leegte en waar ruimte is, is mogelijkheid.

Het leven is online geworden. Wifi leidt tot nieuwe verbindingen en nieuwe contacten. Mensen zorgen voor elkaar, de intensive cares zijn overbelast. Daar wordt het leven tot de kern teruggebracht.

Is het een revolutie zonder barricades en geweld? Of wordt alles weer zoals het was met slechts een herinnering? Geven we betekenis aan wat zinloos is?

Het is avond. Ik wandel verlaten door straten. De wind waait me gedachten toe. – Beloved, I walk alone ... / What ghost is this that walks with me, / Always in darkness walks with me? –

1768 | dagboek van een lezer (3)

20 maart 2020

Het voornemen om De huid van chagrijn grondig te herlezen en daarbij herinneringen op te halen uit mijn vroege jeugd, strandde even snel als dat dat het voornemen was opgekomen. Ondanks mijn hernieuwde fascinatie voor het boek van De Balzac, drong zich ineens een andere wens op, de wens namelijk eindelijk eens dat boek van Goethe, Italiaanse reis, te gaan lezen. Een extra stimulans daarbij was, dat de biografie Goethe van Rüdiger Safranski als paperback verscheen en daarmee voor mij betaalbaar werd. Enhousiast als ik ben voor het werk van Safranski kon ik de verleiding niet weerstaan. Safranski weet als geen ander zo over filosofen en auteurs te schrijven dat ik als lezer in ieder geval tijdens het lezen de illusie krijg de geportretteerde auteur of filosoof te begrijpen, zelfs een weerbarstig denker als Martin Heidegger. En zo dompelde ik me onder in het leven en werk van Goethe, terwijl er in mijn alledaagse leven grote veranderingen gaande waren.

In mijn middelbare schooltijd kocht ik in de weken voor de zomervakantie vaak een lijvig boekwerk. Het idee was om voldoende te lezen te hebben in de lege weken van de zomervakantie, de weken dat ik niet met mijn ouders op vakantie was in het buitenland en ik mijn alleenzame uurtjes wilde vullen. Weliswaar was dit ook de tijd dat ik vele vele uren naar muziek luisterde, maar ter afwisseling wilde ik een boek voorhanden hebben dat schitterend zou zijn en waarmee ik vele avonduren in zou kunnen leven. Zo las ik op zwoele zomeravonden boeken van Dickens (David Copperfield!) Thomas Mann, Tolstoj, Toergenjev enz. Soms gebeurde het dat ik het boek al uit had voordat de vakantie begonnen was, maar dan herlas ik het gewoonweg. Zo las ik Doctor Faustus in korte tijd tweemaal. Deze traditie raakte in het slop, maar een aantal jaren geleden besloot ik de traditie in ere te herstellen. De Italiaanse reis zou het boek zijn, maar het kwam er niet van en zo stond het boek jaren ontevreden en ongelezen in mijn kast.

Het is moeilijk om de stijl van een schrijver te beoordelen aan de hand van een vertaling. Maar als de vertaling van Wilfred Oranje een goede afspiegeling is van het Duits van Goethe, dan kan ik tot geen andere conclusie komen dat Goethe beschikt over een zeer heldere stijl. Nietzsche roemde zijn stijl, Goethe was één van de Duitse schrijvers die hij kon verteren. Nietzsche zal ongetwijfeld de Italiaanse reis gekend hebben (#1540). Het zal Nietzsche evenmin ontgaan zijn dat de reis van Goethe door Italië een levensveranderende ervaring is geweest en zal dat instemmend tot zich genomen hebben. Nietzsche had in zijn werk een nadrukkelijke voorkeur voor de mediterraanse cultuur tegenover de in zijn ogen verstofte cultuur van de Duitse filisters.

1767

2 maart 2020

We zijn ertoe veroordeeld rekening te moeten houden met het feit dat aan alles een stuk duisternis kleeft.
Peter Sloterdijk Filosofische temperamenten, 27

Onthouding is voor de modernen het moeilijkste woord van de wereld.
Peter Sloterdijk Filosofische temperamenten, 118

Want de spontane levenservaring van de meeste mensen leert dat in hun geval het redelijke nog niet het werkelijke en het werkelijke nog niet het redelijke is.
Peter Sloterdijk Filosofische temperamenten, 120-121

Het centrale punt, waarom alle liefdeslisten der burgers draaien, is de paring, de meest besproken en tegelijk meest verzwegen daad.
Menno ter Braak Het carnaval der burgers in: Verzameld werk. Deel 1, 56

De maatschappij behoeft overal en altijd het burgerlijk excuus voor de toewijding, die zij aan de fantasie verspilt.
Menno ter Braak Het carnaval der burgers in: Verzameld werk. Deel 1, 56

Iemand die wil migreren naar een welvarender werelddeel doet hetzelfde als een investeerder die zoekt naar het meeste rendement voor zijn kapitaal.
Caspar Thomas Verdeel en beheers. Een andere kijk op bezit in: De Groene Amsterdammer 2020/8, 33

Het is een eigenaardigheid van tijd, dat hij later zo compact lijkt, een ondeelbaar massief voorwerp, een gerecht met maar één geur en één smaak.
Cees Nooteboom Rituelen, 20

1766

1 maart 2020

Hij zat in zijn stoel toen ik hem terugvond, zoals hij daar wel vaker zat, handen op de leuningen, eindeloos turend naar de vloer. Soms keek hij op en dan keek hij niet naar mij, nee, dan keek hij langs mij heen naar buiten, alsof daar ergens in de verte, in het vallende duister van de avond, iets te zien was.

Altijd beducht voor de blik van de ander, hij was niet iemand die mensen in de ogen keek. Hij vond zichzelf een oren-mens en geen ogen-mens. Literatuur, zei hij, literatuur lees je niet met je ogen, maar met je oren. Literatuur heeft een stem, goede literatuur ademt en spreekt, zoals muziek.

Hij was allang geen liefhebber meer. Voor iemand die muziek had gestudeerd, luisterde hij nog maar heel weinig. De mooiste muziek is de stilte, zei hij, en dan niet zoals in dat stuk 4'33" van John Cage, dát is gekunsteld, dan maak je van stilte een performance, dat is stilte in een kooitje en dan glimlachte hij minzaam om zijn woordgrapje. Nee, de mooiste muziek klonk als er niemand was om te luisteren, vond hij. Muziek moet je eenvoudigweg horen, zoals de geluiden die je hoort als je door het bos loopt. Die geluiden zijn er spontaan, intentieloos. Soms heb je het geluk dat je muziek hoort tijdens een wandeling, als je niet luistert.

Ik begreep er niet veel van, maar hij kon altijd al moeilijk tot de kern komen, hij cirkelde altijd om de hete brij heen. Ik moet praten om erachter te komen wat ik vind, verzekerde hij mij, maar tegelijkertijd wil ik dat het gesprek nooit eindigt, ik wil niet vast komen zitten in overtuigingen. Soms voeren wij die gesprekken tijdens wandelingen of wanneer hij zit te schrijven en soms zelfs wanneer hij aan het lezen is. Wandelen, schrijven, lezen, het komt uiteindelijk allemaal op hetzelfde neer.

Dat hij de mensenwereld niet begreep, dat hij de mensenwereld maar absurd vond. Iedereen probeerde Iemand te zijn, Belangrijk, Gelukkig. Geluk, dat was het meest overschatte woord, vond hij. Met seks een als goede tweede, voegde hij er met een ondeugende twinkeling in zijn ogen aan toe, seks wordt zwaar overschat.

Dat oeverloze streven naar geluk, naar een gelukkig leven, dat moest maar eens afgelopen zijn. Niet dat hij iedereen ongelukkig wenste, dat natuurlijk niet, maar er moest nog een derde mogelijkheid zijn, al wist hij niet hoe dat te omschrijven. Juist als je het zou proberen, zou het je ontglippen. Net als de muziek waar je niet naar moest luisteren, want dan hoorde je het niet meer.

Wij consumeren geluk, vond hij ook. Zoals het kopen van spulletjes een tijdelijk prettig gevoel kan geven en we dus voortdurend moeten blijven kopen om de herhaling van dat fijne gevoel te krijgen – en dus moeten we centjes verdienen om maar te kunnen blijven kopen, ziedaar de kern van onze economie –, zo zijn we steeds weer op zoek naar het ervaren van geluk. Uiteindelijk worden we daar niet gelukkiger van. De consument is als een roker verslaafd aan het consumeren, de consument is altijd weer op zoek naar de volgende kortstondige bevrediging en die bevrediging verwarren we met geluk.

Misschien word je wel gelukkiger als je er juist niet naar zoekt, zei hij een keer met veel aplomb en keek me toen zowaar in de ogen, al zou ik me dat ook kunnen verbeelden. Misschien vind je dan juist iets waar je wel gelukkig van wordt, lachte hij en we dachten samen aan Poeh en de Kuil. Het bracht hem bij zijn stokpaardje, dat hij toch echt vermoedde dat juist in al dat streven naar een betere wereld, dat juist in dat streven alle ellende verborgen ligt dat men wil bestrijden. Wat zou er gebeuren als we zouden stoppen de wereld te verbeteren, riep hij dan retorisch uit. Wat zou er gebeuren als we niet voortdurend onze eigen versie van een betere wereld aan anderen zouden opleggen die ook weer hun versie van een betere wereld hebben.

Kijk, riep hij plotseling opgewonden, kijk dan naar buiten en zie wat de mens met de wereld gedaan heeft. De mens leeft als een parasiet, leeft ten koste van dat andere organisme, de aarde. Hoe mooi zou deze planeet nog zijn, als de mens er niet geleefd had!

Het maakte hem somber dat hij niet meer in deze wereld kon zijn zonder het voortdurende bewustzijn van het zinloze gewriemel van al die mensen, van de absurditeit, van de lachwekkendheid. Hij wist dat hij er onderdeel van was, maar tegelijkertijd voelde hij een enorme afstand. (Vaak dacht hij aan dat roodharige jongetje op het schoolplein.) Hoe zou hij op deze wijze in volle ernst nog iets kunnen bijdragen aan de samenleving?

Dan loop je naar je werk en dan kijk je van buiten naar binnen en dan zie je al je collega's zitten aan hun bureau, loerend naar een beeldscherm en dan denk je, hoe is mogelijk dat een diersoort dat zichzelf zo intelligent vindt, dit heeft weten te bereiken? Wat hebben we onszelf aangedaan? Hoe diep treurig is dit eigenlijk? En dan maken we onszelf wijs dat het Nodig is en Belangrijk en dat het allemaal Beter wordt, ooit in de verre toekomst. Wel, die toekomst duurt een eeuwigheid en ik kan je verzekeren dat vooral het einde van die eeuwigheid erg lang duurt. Om vervolgens ook zelf plaats te nemen aan zo'n bureau met een beeldscherm.

Dan staat hij op. Hij loopt naar zijn laptop en zoekt de muziek van Schubert. Strijkkwartetten van Schubert, daarin vindt hij tegenwoordig zijn troost. Juist in de somberheid van Schubert vindt hij herkenning en koestert hij de illusie dat hij niet de enige is. Ze bestaan nog, mensen die schoonheid weten te creëren, ook heden ten dage nog, enkelingen die de hoop vasthouden, die voorbij deze wereld van consumentisme kunnen kijken, enkelingen die de moed hebben, die nog durven spreken van waarachtigheid en schoonheid. Mensen die de muziek nog horen en een stem geven.

Dan komt die glimlach, die glimlach die ik zo goed ken uit de tijd dat we in het vallende duister langs de grachten van Amsterdam liepen, soms zwijgend, soms eindeloze gesprekken voerend. En terwijl hij luistert naar Rosamunde hoor ik hem denken ik weet dat je er bent en ik zou zo graag wat van je horen en dan weet ik dat hij voorbij tijd en ruimte aan mij denkt. Aan zijn beautiful demon.

1765

[ helaas verloren gegaan ]

1764

8 januari 2020

Hij had het gehoord, 's avonds lezend op de bank, het getrippel. Vanuit zijn ooghoeken zag hij het bij de post van de deur. Hij schoot omhoog en rende erop af. Het verdween in de keuken en waar hij ook zocht, hij kon het niet vinden.

Zijn dochter zag het later, maar wist het niet zeker. Misschien heb ik het me verbeeld, zei ze, toen hij in alle hoeken en gaten van zijn slaapkamer keek en geen aanwezigheid vond.

Maar vanochtend toen hij zijn jas aantrok, voelde hij iets in de mouw van zijn jas, iets met een koordje. Hij greep met zijn hand van de andere arm om te voelen en toen viel het op de grond. Het schoot weg. Snel sloot hij de deur naar de gang en deed de deur naar buiten open. Hij zag het, angstig heen en weer rennend, net zo geschrokken als hij. Toe maar, ga maar naar buiten, hoorde hij zichzelf zeggen en toen hij voldoende afstand nam, ontsnapte het. Hij keek het nog even na.

Nog lang voelde hij het op zijn arm, daar waar het zich verscholen had in zijn jas. Fantoommuis.

1763

[ helaas verloren gegaan ]

1762

5 januari 2020

Ach, u weet wel ...

Hij haalt diep adem. Hij moet altijd diep adem halen om de sprong te wagen. Of, zoals in zijn geval, een huppeltje. Daarom is hij graag thuis, om adem te kunnen halen. Daarom richt hij zijn thuis sober in, omringt hij zich met boeken waarvan de aanblik hem rust geeft, waarvan de aanwezigheid hem blij maakt. Waarom boeken dat effect op hem hebben, dat weet hij niet. Misschien omdat zijn moeder hem voor het slapen gaan voorlas en die zeer zeldzame momenten van intiem contact met zijn moeder mee resoneren als hij zijn boeken ziet of wanneer hij leest.

Maar die sprong. Of in zijn geval, dat huppeltje.

De deur uitgaan, iets ondernemen. Hij wil het wel, maar nu hij weer betaalde arbeid verricht mist hij het thuis zijn, het alleen thuis zijn. Alleen de kinderen en de trouwste vrienden zijn dan welkom in zijn gekoesterde alleeenzaamheid. Zolang hij maar niet de indruk krijgt dat hij dan per se uit moet, iets buitenshuis moet ondernemen, iets behoort te ondernemen. Dat wil hij wel, maar alles op z’n tijd, eerst op adem komen en naarmate hij steeds meer zichzelf toestaat te luisteren naar zijn eigen behoeften, merkt hij, dat hij dieper moet ademen om een grotere sprong te kunnen maken. Voor anderen is dat een huppeltje.

Hij heeft het velen horen denken en sommigen horen zeggen: jouw behoefte aan lezen is een vlucht. Het boek schermt je af voor het echte leven. Lezen is iets voor de tijd die rest, als je eerst actief iets ondernomen hebt, mensen ontmoet hebt, leuke dingen gedaan hebt, weer iets van de wereld gezien hebt.

Hij heeft het vaak gedacht, maar zelden uitgesproken: die mensen die altijd maar onderweg zijn, nooit thuis zijn, die zijn op de vlucht voor zichzelf, ze zijn bang voor de confrontatie met de stilte, met hun innerlijke stem, met hun angsten.

Nu weet hij, dat wat voor de één verstikkend is, voor de ander verademend kan zijn. Hij weet dat mensen tegenstrijdige behoeften hebben. Hij weet dat lezen een vlucht kan zijn, maar juist ook een confrontatie, zoals de wereld intrekken zowel confronterend kan zijn als een vlucht. En wellicht is het in alle gevallen wel beide. Dat achter onze behoefte aan een gevoel van welbevinden ook een vlucht voor het andere, de ander, voor onszelf, aanwezig is. Als een schaduw. Dat mensen allemaal hun eigen wijze hebben om op adem te komen om vervolgens datgene aan te kunnen wat hen de adem beneemt.

Zijn onderdompelen in alleenzaamheid is een voorwaarde voor hem om de wereld weer tegemoet te kunnen treden. Het is een balans die hij in zijn leven nodig heeft. Vroeger zei hij vaak: wanneer ik onder de mensen ben, verlang ik naar alleenzaamheid en wanneer ik alleen ben verlang ik naar mensen. Nu zegt hij: ik moet alleen geweest zijn om onder de mensen te kunnen zijn en wanneer ik onder de mensen geweest ben, moet ik weer alleen zijn. Het ene is een voorwaarde voor het andere.

De laatste jaren denkt hij eindelijk het juiste evenwicht gevonden te hebben, een precair evenwicht dat voor hem werkt. Precair omdat het gewicht van de wereld altijd dreigt de ene kant ten onder te laten gaan, zodat hij steeds dieper moet ademen om het evenwicht weer te herstellen. Soms raakt hij daarvan buiten adem. Uiteindelijk heeft hij geleerd dat het een oneerlijke strijd is, dat hij niet dieper kan ademen, dat hij soms de sprong moet wagen om de gewichtigheid van de wereld te verlichten.

U weet wel, zo’n sprong die voor u slechts een huppeltje is.

1761

2 januari 2020

Ineens hadden de dagen geen achterkant meer. Hij vroeg zich af of dat erg was. Weliswaar had hij trouw de dagen geplukt en de keerzijden gelezen, maar ze hadden zelden tot iets geleid. Dat wil zeggen, hij had zo zijn gedachten erover gehad, gedachten die zich dan spontaan aandienden, maar van opschrijven kwam het niet. Soms had hij de achterkanten bewaard voor betere tijden en ze stapelden zich op. Wanneer de gelegenheid er was, was het vuur gedoofd. Nu was er niets meer dan een onbeschreven blad en kijk, hij schrijft.