Ze wilden niet, maar ze moesten. Gelukkig had ik het plan goed voorbereid, zodat de chaos niet te lang zou duren. Het was een idee dat ik al jaren had, het was nu voldoende gerijpt. Ik zette de oudste, de zeer bejaarde meneer Gilgamesj, aan de ene kant en de jongste, juffrouw Marsman met haar eerste letter aan de andere kant. Zo werd de alpha de omega en was de cirkel rond.

Alleen Eckermann mopperde nog wat, hij wilde wat dichter bij Goethe. Ik honoreerde zijn wens en nu voeren ze hele gesprekken. Hannah daarentegen kon haar blijdschap niet onderdrukken dat ze wat verder van Martin mocht staan en ze rookt nu prompt een stuk minder. Nou ja, de Grieken klagen, omdat Plato de hele tijd met nieuwe ideeën aan komt zetten, maar Hieronymus is eenvoudig blij dat hij naast de Bijbel mag staan.

Er zijn vele goede vriendschappen ontstaan. Dante, Boccaccio en Chaucer vertellen elkaar de hele tijd verhalen. De tweeling Essays en De essays Montaigne spelen het spel 'zoek de eindeloze hoeveelheid verschillen'. Hegel grinnikt steeds dat hij boven de grijze hemel van Hölderin mag uittorenen. De zusjes Brontë drinken oeverloze hoeveelheden thee met Jane na hun wandelingen over de Woeste hoogten. Henry Thoreau is wat ongehoorzaam, maar kan redelijk overweg met Alfred Russel Wallace, terwijl Multatuli verdiept is geraakt in Dostojevski, ze discussiëren over misdaad, straf en het recht. Anna Karenina leest stiekem in het dagboek van de gebroeders Goncourt. Gogols Dode zielen zijn tot leven gekomen nu ze de verhalen horen van Edgar Allen Poe. Mevrouw Dalloway laat haar gedachten gaan en deelt ze met Joyce, terwijl Carry van Bruggen een spelletje schaak speelt met Stefan Zweig. Nou ja, Moravia is nog wat onverschillig voor zijn landgenoot Pavese, maar dat zal wel goed komen. Jan Arends was onlangs ontroostbaar toen ik Wat is politiek? van Lefort tussen hem en Foucaults geschiedenis van de waanzin zette, maar later kwam hij tot de slotsom dat politiek en waanzin op hetzelfde neerkomen. Reve en Lodeizen praten al tien avonden eindeloos over hemelse mannen. Brouwers biedt de zwijgzame Coetzee een borrel aan en als deze blijft weigeren, gaat hij aan de andere kant In de bovenkooi een boom opzetten met Biesheuvel. Geannimeerd en sophisticated zijn de gesprekken over landschappen en herinneringen tussen Sebald en Schama. Van Dixhoorn en Rothko hebben aan weinig woorden genoeg om elkaar te begrijpen. László Krashznahorkai en Donald Ray Pollock fluisteren voortdurend over duistere zaken. Jelle Brandt Corstius maakt in zak en as fietstochten met Kira Wuck en bewondert de Finse meisjes, terwijl Jaap Robben verlegen krekelt in de nacht tussen de dames Svetlikova, Van Wieringen, Van Gasse, Luiselli, Marie, Hofstede en Marsman.

Alleen mijn goede vriend Friedrich, hem heb ik apart gezet en hij lijkt er volmaakt tevreden mee. Hij staat naast mijn leesstoel zodat ik hem zo nu en dan gezelschap kan houden. Soms lees ik hem voor, dicteert hij mij teksten over een eeuwige terugkeer of maken we lange wandelingen en bezoeken onze vrienden. Dan spreken we met de Politicus zonder partij Menno ter Braak of we raken in aardse Sferen met Peter Sloterdijk. Ik luister dan alleen maar, zoals ik naar al die stemmen luister. Soms wordt het gekrakeel me wat al te veel en dan leg ik ze tijdelijk het zwijgen op, zodat ik mezelf weer even kan horen.

Ze hebben mij één verzoek gedaan en daar geef ik graag gehoor aan: mijn beste lezers, ik wens u allemaal fijne kerstdagen en een lezenswaardig nieuw jaar toe! Ook namens mijn boeken!

19.12.2016

Ze zat gehurkt bij een boomstronk. De stronk was geheel overwoekerd door mos en er groeiden paddenstoelen op. Ze hield er een fototoestel bij. Aan het fototoestel een schermpje, waarop ze waarschijnlijk goed kon zien hoe de foto zou worden terwijl ze het toestel in de door haar gewenste positie kon houden.

Dat maakt maar foto's tegenwoordig. Begrijp me goed, ik heb niets tegen fotografen en het maken van foto's, maar tegenwoordig lijkt iedereen wel fotografie te bedrijven. Ik voel die behoefte niet en ik voel me er wel eens schuldig over. Had ik het jonge leven van mijn kinderen niet beter vast moeten leggen? Zullen ze me later verwijten dat ik zo weinig foto's gemaakt heb?

Mijn vader maakte foto's en heel veel dia's. Ik bewaar ze, maar ik kijk er nooit naar. En als ik er naar kijk, zie ik een jongen waarvan ik weet, dat ik het was, in een andere tijd. Tegelijkertijd herken ik hem niet, omdat het slechts een beeld is. Wat hij op dat moment dacht en voelde is verloren gegaan. Wat mij toen tot mij maakte, dat staat niet op de foto of dia. Liever had ik dagboeken en brieven uit die tijd gehad.

Soms maak ik op mijn wandelingen een paar foto's. Op de sociale media worden foto's nu eenmaal meer geleukt dan teksten. Voor een tekst moet je moeite doen, het kost wat tijd om het te lezen en te herkauwen, maar een foto zie je in een oogopslag en klik, wat leuk.

Zou zij de foto van de paddenstoelen en het mos op de boomstronk straks op facebook zetten? Of instagram, flickr, tumblr of hoe heten al die virtuele fotoboeken tegenwoordig? Tussen al die honderden, duizenden, miljoenen andere foto's? Zou zij dan vele malen per dag gaan kijken hoeveel mensen het geleukt hebben? Of zou ze de foto's voor haarzelf houden om er zo nu en dan eens naar te kijken?

Ik wandel verder, luister en kijk om me heen. Inderdaad, ik zou zoveel mooie foto's kunnen maken van het landschap, maar liever schrijf ik straks, wanneer ik thuis kom, wat gedachten op. Zoals over een vrouw die gehurkt zat bij een boomstronk.

2.12.2016

Als de bomen in het begin van de herfst hun ware kleuren laten zien, dan is dat het begin van het einde. Geholpen door de wind zullen de bomen hun franje verliezen. Hooguit enkele verfrommelde pakketjes bladeren blijven over aan de verder kale takken. De bomen worden introvert, keren terug in zichzelf, zetten zich schrap voor de winter. De uitbundige wereld van de zomer is definitief voorbij en met de laagstaande zon worden de schaduwen langer. De schoonheid van het najaar wordt maar zelden opgemerkt. Of het geluid, het knisperen van de bladeren onder de schoenen, de akoestiek van een ontkleed bos. De diepte van het bos is niet alleen beter te zien, maar vooral ook te horen. De muziek van de ruisende bladeren is verstomd, soms is het kraken van het hout te horen, het vallen van een tak of het pianissimo van een dwarrelend blad. Bovenal is er meer stilte en waar de stilte heerst, daar valt de eigen stem te beluisteren.

1.12.2016

Ik gebruik soms de metafoor van de flipperkast: de hele dag manmoedig druk om het balletje hoog te houden en 's avonds vermoeid het balletje te zien wegglippen in de goot. De volgende ochtend ligt er nieuw balletje klaar.

Vandaag leerde ik een nieuwe metafoor, de metafoor van de auto. Menig monteur is druk geweest om de deuken te herstellen, maar staan voor een raadsel wanneer ze onder de motorkap kijken. Alles is in orde, de accu is opgeladen, de olie is op pijl, benzine in de tank, er zitten geen draden los, nee werkelijk alles functioneert zoals het zou moeten. Maar waarom wil de auto dan niet starten?

Nutteloos om te proberen deze metaforen aan elkaar te koppelen.

17.11.2016

Sommige lezers schrijven in hun boeken. Commentaar, aanvullingen, verwijzingen of eenvoudig een streep of kruis om een bepaalde passage later makkelijker terug te kunnen vinden. Het is een manier om een boek persoonlijk te maken, door jouw gedachten een plaats te geven in het boek, maak je het exemplaar tot jouw exemplaar. Het getuigt van jouw lezing.

Ik kan dat niet. Ik ervaar schrijven in een boek als het beschadigen ervan, het verliest zijn oorspronkelijke staat. Ik wil de ruimte om de tekst en tussen de zinnen de ruimte laten, ik voel geen behoefte om daar iets neer te krabbelen. Daarom heb ik altijd een schrift in de buurt om aantekeningen te maken. Niet dat ik vaak iets doe met die aantekeningen, maar alleen het opschrijven al maakt, dat ik de plek en het gelezene beter kan onthouden. Toch moet ik soms eindeloos zoeken in het schriftje of in het boek om iets terug te vinden, dat is een consequentie die ik maar aanvaard. Het voordeel daarbij is, dat ik tijdens zo'n zoektocht weer op andere aantekeningen en passages stuit die ik al lang vergeten was. Efficiënt is het niet, dat geef ik ogenblikkelijk toe.

In de nagelaten aantekeningen van Nietzsche kan ik maar weinig vinden over zijn lectuur. Of ik herken het niet. Of het heeft geleid tot zijn eigen gedachten, zonder dat het verband met het gelezene meteen duidelijk is. Zijn schriften zijn een denklaboratorium en de aantekeningen houden eerder verband met zijn eigen gepubliceerde teksten. Een hele klus om al die verbanden te leggen, welke teksten waar terecht gekomen zijn, wat er verandert is aan die teksten en waarom Nietzsche dat gedaan heeft (of niet).

Soms staan er zinnen tussen die ik niet kan plaatsen en waarvan de betekenis me ontgaat. Soms zijn ze ook grappig en komen ze toch uit een boek dat hij schijnbaar las. Noteerde Nietzsche onderstaande zin, omdat hij het kon gebruiken in zijn ondermijning van de christelijke moraal? Of moest hij erom lachen? Of beide? We zullen het nooit weten.

'Mest doet meer wonderen dan de heiligen' – Sicilië.

Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 191

Op de hogere berghellingen is nog altijd de olijfboom, de johannesbroodboom en de manna-es aan te treffen. Hun akkerbouw kent ook het drieslagstelsel. Bonen, graan en een jaar braak, waarbij gezegd wordt: mest doet meer wonderen dan de heiligen. De wijnstok wordt erg laag gehouden.

Johann Wolfgang von Goethe Italiaanse reis, 271

31.10.2016

Bosch en Duin 1986-1989 III (3)

De zomermaanden waren overleefd, de colleges waren weer begonnen, de herfst diende zich aan. Schoorvoetend probeerde ik me voor te bereiden op het tentamen alfacursus. Ik kocht de readers voor een nieuwe reeks colleges, dramaturgie opera. Van die colleges herinner ik me niets meer en als ik lees over gesprekken bij de koffieautomaat met andere studenten, komen sommige namen me niet onbekend voor, maar de gezichten zijn verdwenen uit mijn geheugen. Ik kocht poëzie van Stéphane Mallermé en een boek over Wagner in Venetië, maar ik geloof niet dat ik die boeken ooit gelezen heb. Misschien is de passage Het weer was hutspot vandaag; soms net genoeg regen om even nat te worden, maar dan gewoon weer zon. En zo is mijn leven bijkans ook. (dinsdag 13 september) tekenend voor de stemming waarin ik verkeerde. Hutspot.

Het contact met H. werd intensiever. H. belde vaker en de brieven werden steeds dikker. Het waren vooral haar avonturen met een zekere J. (een getrouwde man die ze in het kerkkoor ontmoette) die haar in de pen deed klimmen en waarover ze opbelde. Hij wilde een relatie, zij niet, maar ze wilde hem ook niet kwetsen, omdat ze hem wel aardig vond. Natuurlijk was er een overeenkomst met onze situatie, al was ik dan niet getrouwd en een stuk jonger. Ik stelde me op als een luisterende vriend die zijn eigen emoties even minder belangrijk vond.

H. deed erg haar best om dan weliswaar niet 'de' vriendin, maar dan toch in ieder geval 'een' vriendin te zijn. Ik koesterde haar energie, haar wellevendheid, om het vervolgens na elk contact weer vreselijk te moeten missen. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat onze vriendschap in deze tijd het meest intiem geweest moet zijn. Maar er zat een tijdbom onder en ik moet dat aangevoeld hebben. Ondanks al haar vriendelijkheid, enthousiasme en humor wist ik dat er iets verzwegen werd. Ik deed daar zelf even hard aan mee. Al heb ik geen kopieën van mijn eigen brieven aan haar, zo nu dan vang ik er een glimp van op in haar brieven aan mij. Allereerst bedankt voor je uitermate opwekkende brief. Ik zat hem gisteravond in bed te lezen en moest zo lachen om die anekdote van de auto, dat E. bezorgd kwam informeren of alles wel in orde was. Misschien deed het zwijgen haar geen kwaad en waar ik soms wanhoopte, leek zij door het leven te dartelen, leek zij alle tegenslagen weg te kunnen relativeren en bleef zij optimistisch. In dezelfde brief laat ze aan het einde weten dat ze op mijn verjaardagsfeest zal komen. Tegelijkertijd werd ik uitgenodigd om een week later op een feest van haar en haar huisgenote E. te komen.

Heb ik het indertijd wel voldoende beseft hoe bijzonder het was dat al mijn vrienden, soms van heel ver weg, elke keer maar weer hun best deden om op mijn verjaardagsfeesten te komen? Heb ik wel voldoende beseft hoe spannend het voor H. geweest moet zijn om naar een feest te gaan met louter jongens waarvan ze alleen de gastheer kende en de anderen hooguit uit verhalen en anekdotes? Ik weet nog dat ze heel laat kwam, ik had me bezorgd gemaakt. Ik weet ook nog dat ik haar binnen liet en het liefste er meteen met haar vandoor gegaan was, ik wilde alleen met haar zijn. Ik hoefde me geen zorgen te maken over haar contact met mijn vrienden, ze had charme genoeg om er een amusante avond van te maken. Ik zag het allemaal goedmoedig aan, ik volgde haar gesprekken met P. en probeerde ook voor de anderen een gastheer te zijn. In mijn dagboek noteerde ik de volgende dag: Ik moet zeggen dat de avond geslaagd was en ook Ik was erg zwijgzaam (zaterdag 8 oktober). Dat laatste kwam waarschijnlijk ook door de alcohol, ik dronk veel die avond en nacht. Zij en een paar andere vrienden bleven slapen en deden dat in een andere, leegstaande kamer. Ik sliep slecht, de drank had de verkeerde uitweg gekozen en ik stond vroeg op. H. had minstens zo weinig geslapen, maar kwam vrolijk mijn kamer binnen. Zo wilde ik elke ochtend wel opstaan. Natuurlijk kwam ook het moment van afscheid nemen op het station. De extra kus vlak voor het instappen zal ik niet snel vergeten.

Een week later ging ik naar het feestje van haar en E. Zo kwam ik voor een avond even in haar sociale wereld terecht. E. had ik wel eens eerder ontmoet en A. kende ik nog uit Taizé '86. Daarnaast leerde ik haar zus kennen en haar ex-vriendje P. Aan de avond zelf heb ik verder weinig herinneringen, behalve dan dat ik H. voor het eerst en misschien ook wel voor het laatst zag roken. Ik bleef slapen en ik bleef de volgende dag als enige rondhangen. We bekeken al haar fotoalbums en we hebben veel gelachen (dinsdag 18 oktober). Toen we samen met de tram naar het station gingen, sloeg ik mijn arm om haar heen en legde zij haar hoofd op mijn schouder. We zwegen in een treurige stemming, niet alleen om het naderende afscheid, maar ook om het onvermogen om meer dan vrienden te kunnen zijn.

20.10.2016

Bosch en Duin 1986-1989 III (2)

Ik wil verder, verder met het verhaal, maar het is alsof ik in een diepe bron duik en om me heen alleen maar troebel water zie. Wanneer ik mijn dagboek uit die tijd weer opensla en ga lezen, komt het langzaam allemaal weer boven. Kon ik de tijd maar terugdraaien en opnieuw beginnen! Het leven bestaat uit geluk en smart, daaraan valt niet te ontkomen en het zou beter zijn om het te omarmen. Leef zo dat je hetzelfde leven keer op keer opnieuw zou kunnen leven en als ik zo over nadenk, zou ik dat bij nader inzien kunnen, met alle geluk en verdriet vandien. Het was een hogedrukketel aan emoties, ik leefde intens, als ik althans mijn notities mag geloven die natuurlijk altijd maar weer momentopnamen waren.

Op de vooravond van een nieuw collegejaar, op zondag 4 september 1988, schreef ik bladzijdenlang wat ik de weken ervoor allemaal gedaan had. Op woensdag 24 augustus deed ik samen met D. het mondeling tentamen instrumentenkunde. Boogaerts heeft me daarbij enorm gematst, ik weet niet of ik daar blij mee moet zijn. D. bleef de rest van de dag bij mij, we gingen naar mijn kamer, aten 's avonds in een pizzeria en gingen aansluitend naar de film The unbearable lightness of being, hetgeen erg gezellig was. 's Middags had ik H. nog gebeld of ze mee wilde, maar het werd haar te laat. Donderdag 25 augustus bezocht ik R. in Enschede. Vrijdag 26 augustus at ik 's avonds bij P. en aansluitend gingen we naar het Festival Oude Muziek, we hadden kaartjes voor een koncert van Les Arts Florissants. Twee korte opera's stonden op het programma, Actéon van Marc-Antoine Charpentier en Dido and Aeneas van Henry Purcell. Misschien, zeker het mooiste koncert, dat ik ooit gehoord heb. Na afloop dronken we nog wat in Springhaver. Zaterdag 27 augustus kwam 's middags E. aan, hij zou twee nachtjes blijven. Dezelfde avond gingen we naar Amsterdam voor het openluchtkoncert op het Museumplein, de afsluiting van de Uitmarkt. Zondag 28 augustus stonden we weer vroeg op om naar het koffiekoncert van Les Arts florissant te gaan. Tijdens dat koncert moet er bij E. een vonk zijn overgeslagen, want sindsdien is hij weg van barokmuziek. Schijnbaar was ik twee studiegenoten tegengekomen, want volgens mijn dagboek dronken we met A. en B. koffie bij Il Pozzo aan de Oude Gracht. Daarna overbrugde ik de tijd op de Oude Muziek Markt tot half drie, want om drie uur zat ik met P. in de Stadsschouwburg voor de opera Giascone van Francesco Cavalli. De opvoering was minstens zo mooi als het koncert van vrijdag. Maandag 29 augustus vertrok E. weer en kon ik even op adem komen. Dinsdag 30 augustus zat ik alweer met P. bij een koncert, ditmaal de Verse anthems van Henry Purcell. De uitvoering van het Collegium Vocale viel echter onverwacht nogal tegen. Om het kort te houden: ronduit saai. De avond werd besloten in café 't Neutje. De volgende dag vertrok ik met de trein naar Friesland voor een bezoek aan de tandarts en om de verjaardag van mijn moeder te vieren. Vrijdag 2 september zag ik E. weer in Leeuwarden om samen een avondje te stappen. Zaterdag 3 september bezocht ik met mijn moeder en mijn zus mijn grootmoeder in het verzorgingstehuis. Ik verstilde daar helemaal en liet alles rustig op me inwerken. Is zo'n tehuis nu erg? Ik weet het niet. Zondag 4 september was ik weer in Bosch en Duin en vond er een brief van H.

Wanneer ik het nu deze notities teruglees, komt het allemaal erg kortademig op me over. Waar was ik voor op de vlucht? Eén aspect werd niet genoemd en wellicht consequent ontlopen. Ik had nu twee jaar 'gestudeerd' en men diende in die twee jaar zijn propedeuse te halen. Er ontbrak nog één voldoende, goed voor veertig studiepunten. Het ging om het enige vak dat niets met muziekwetenschappen te maken had, de alfacursus, een cursus over computers voor studenten van alfastudies. Het ontbreken van deze studiepunten maakte, dat ik eigenlijk niet verder kon met mijn studie. Besefte ik dat niet? Wilde ik het niet beseffen? Waarom had ik niets ondernomen? Waar was ik bang voor? Dat het vooralsnog goed gekomen is, heb ik aan P. te danken. Op aanraden van P., gisteravond, heb ik vandaag maar eens mijn studieadviseur, mijnheer F. de Haas opgezocht (dinsdag 6 september). De toon is laconiek, onverschillig, wellicht om de spanning te verbloemen. Uiteindelijk werd er een noodconstructie bedacht. Ik mocht bij de docent alfacursus vervroegd tentamen doen en bij een goed resultaat werd de datum verplaatst naar augustus, zodat ik alsnog mijn propedeusediploma kon aanvragen. Ongeveer twee weken later moet ik dat tentamen gemaakt hebben, maar ik vind er niets over terug in mijn dagboek. Ik had het ongetwijfeld te slecht gemaakt, toch kreeg ik een voldoende. De docent had duidelijk met zijn hand over zijn hart gestreken. Mijn studie was voorlopig gered.

De brief van H. die ik begin september 1988 ontving, ligt hier voor mij. Amsterdam, 29-8-'88, de aanhef luidt Lieve Bos(ch)muis en is ondertekend met (Amsterdamse) Zwerfkat, waarbij in een p.s. wordt vermeld: Ga je niet het hoofd zitten breken over de verborgen betekenis van Boschmuis & Zwerfkat, die is er namelijk niet. See you! Wanneer ik de brief achtentwintig jaar later lees en herlees, valt me opnieuw het mooie handschrift, de sprankelende toon en vooral de milde glimlach op. Ook heb ik de neiging meer tussen de regels te lezen dan ik toen heb gedaan. Wanneer ze over een vriendin verteld, kan ik het nu niet laten toch een heimelijke boodschap voor mij erin te lezen: Volgens mij bedoelde hij ermee, dat ze een beetje meer eigenwaarde aan moet kweken, eerst moet leren van zichzelf te houden. Misschien heeft volwassenheid in positieve zin wel te maken met zelfkennis: weten wat je mogelijkheden en beperkingen zijn. Misschien zou iedereen eens flink verliefd moeten worden op zichzelf. Niet permanent, maar lang en hevig genoeg om een hele reeks verborgen talenten te ontdekken. Wat essentieel is wordt immers slechts met het hart waargenomen? Verliefdheid gaat meestal over, maar er blijft hopelijk wel een levenslange genegenheid over. Vooral die laatste zin blijft maar in mijn hoofd rondtollen.

13.10.2016

Schijnbaar liep ik van oost naar west, want toen de ochtendzon doorkwam viel mijn schaduw precies voor mij. Even was ik de wandelaar en zijn schaduw, maar voordat ik een gesprek kon aanknopen was hij alweer verdwenen.

Het deed me denken aan een vraag die iemand mij onlangs stelde. Schrijven is een manier om tevoorschijn te treden, vind je dat eng? Ik moest erover nadenken, al was mijn eerste reactie nee, natuurlijk niet. Misschien is 'eng' niet het juiste woord. En misschien wilde ik met mijn schrijven wel helemaal niet 'tevoorschijn' treden, maar juist verdwijnen, verdwijnen achter mijn tekst.

Nee, schrijven is voor mij niet louter een vorm van verdwijnen, maar het is ook niet ik die tevoorschijn treed. Daarvoor ben ik te zeer afhankelijk van wat zich aandient en daarvoor moeten de omstandigheden gunstig zijn. Het creëren van deze omstandigheden is net zo tegenstrijdig als 'proberen spontaan te zijn'. Dergelijke momenten van ontvankelijkheid komen altijd onverwacht, wanneer ik er niet op bedacht ben, ze lichten op uit het wit tussen de regels, ze springen op uit het duister van de catacomben van mijn geheugen, het is het grijs van de overdrijvende wolken tussen de stilte en de storm.

Als ik ga wandelen met het idee dat er zich dan wel een stukje zal aandienen, dan kom ik bedrogen uit. Toch heb ik altijd het gevoel dat als ik mijn wandelschoenen aantrek ik ook, zoals de dichter K. Michel schreef, mijn innerlijk aantrek. De gesprekken met mezelf tijdens het lopen kunnen in de weg zitten, de gesprekken die maken dat, zoals de Japanse leraar Nan-in ooit beweerde, mijn kop te vol zit. Maar toch, zelfs dan, bij het oplichten van mijn schaduw door de stralen van de ochtendzon, kan er ineens een eerste zin ontstaan die dan weken eenzaam tussen de aantekeningen staat om later uitgewerkt te worden tot een lapje tekst.

Nee, schrijven is voor mij niet tevoorschijn komen, het is evenmin verdwijnen. Het is een vorm van wandelen in gedachten met gedachten. Het is de wind een hand geven, het is de horizon begroeten.

11.10.2016

En als je lang in een afgrond kijkt,
kijkt de afgrond ook bij jou naar binnen.

Friedrich Nietzsche Voorbij goed en kwaad, 81

In de film Compostella, maar ook in vele teksten in de virtuele wereld over pelgrimstochten, kom ik vaak het begrip Ultreia tegen. In deze teksten resoneert een betekenis mee van zelfoverwinning. De pelgrim die fysieke pijn voelt, maar doorgaat, stap voor stap, steeds verder doorgaan. De pelgrim die, wellicht in het verlengde van die fysieke pijn, mentaal aan de grond zit maar tegen zichzelf blijft zeggen dat hij niet wil opgeven. Ultreia, gewoon de volgende stap doen en daarna weer één. Doorzetten, niet opgeven, er is een doel dat gehaald moet worden.

Het woord pelgrim stamt waarschijnlijk af van het Latijnse woord peregrinus wat vreemdeling, iemand uit vreemde oorden kan betekenen. Ook wel: iemand die van voorbij de akkers komt. Maar ik ben ook de uitleg tegengekomen dat het iemand is die grenzen overgaat. Ik kan me daar iets bij voorstellen daar de meeste mensen in de oude tijden vaak niet verder kwamen dan de grens van hun dorp of streek. Tegenwoordig is het niet meer zo ongebruikelijk om te reizen en daarbij grenzen te passeren en tegenwoordig lijkt het er eerder op dat pelgrims persoonlijke grenzen opzoeken.

Elke pelgrim zal zijn eigen motivatie hebben om op reis te gaan. Een sportieve uitdaging, als toeristische attractie, een spirituele zoektocht, het is allemaal mogelijk. Maar een pelgrimage maken als boetedoening voor begane zonden, dat kom ik niet meer tegen in de verhalen. Eerder lees ik dat mensen op een bepaalt punt in hun leven zijn aanbeland. Men heeft zijn baan verloren, een relatie is gebroken of een geliefde verloren en men gaat op pad om zichzelf te zoeken, de zin van het leven of men hoopt op loutering. Men stapt uit de dagelijkse sleur, ontsnapt aan een dwingende agenda, en gaat op pad, hopend wellicht op een levens- of persoonlijkheidsveranderende ervaring. Men hoopt zichzelf tegen te komen of zijn grenzen te verleggen. Er zullen ook nog mensen zijn die zoeken naar God, in de medereizigers, in de natuur, in de stilte, in zichzelf wellicht. Vreemd genoeg kom ik louter positieve verslagen tegen in dit verband, niemand lijkt negatieve ervaringen te hebben met 'zichzelf tegenkomen'.

Het leven tussen geboorte en dood zien als een reis die gegaan moet worden is zolangzamerhand een beeld dat cliché geworden is. In die zin zou het hele leven een pelgrimage kunnen zijn, zoekend naar de oorsprong waar men vandaan gekomen is. (Of die oorsprong er nu wel of niet is, dat laat ik hier in het midden.) Elke fase in het leven zou dan een bepaalde etappe kunnen zijn, waarbij men op de plaats van bestemming sterft, of, zo men wil, wedergeboren wordt in een andere werkelijkheid.

In de verslagen over pelgrimages naar Compostella kom ik bijna altijd een plek tegen die elke pelgrim zou moeten aandoen: Cruz de Ferro. Het is een hoge houten paal die oprijst uit een berg stenen, bovenop de paal het christelijke symbool, een ijzeren kruis. In de loop der tijd is het traditie geworden dat pelgrims hier een steen achter laten, een steen die men de hele reis heeft meegedragen en die symbool staat voor iets dat men achter wil laten. Waarschijnlijk was datgene dat men achter wil laten juist de motivatie om de pelgrimage überhaupt te beginnen. In die zin is Cruz de Ferro een plek van loutering, waar iets in de pelgrim (af)sterft, een moment van transcendentie. De laatste vele kilometers naar Santiago de Compostella is dan een wedergeboorte. Eigenaardig is dat tegenwoordig Cruz de Ferro weliswaar gezien wordt als een plek van loutering, maar juist Compostella de plek waar men symbolisch sterft, daar is immers de reis ten einde. Veel pelgrims lopen dan verder naar de kustplaats Finisterre, alwaar men aan het water symbolisch zijn schoenen of kleren verbrand die men onderweg gedragen heeft en dat nu juist als wedergeboorte zien, een duik in de zee is dan als het ware een (hernieuwde) doop.

Zo is pelgrimeren een manier om in het kort door het leven te gaan en je daarbij jezelf te bevragen, de balans op te maken. Het is een midlifecrisis uitgestrekt in tijd en ruimte, uitgelopen in honderden kilometers, waarbij een goede afloop uiteraard een gegeven is, want we geloven niet meer in een god, maar wel in onszelf.

20.9.2016

Het is bijna de perfecte biografie, Friedrich Nietzsche. Chronik in Bildern und Texten. In ruim achthonderd bladzijden is materiaal bijeengebracht over leven en werk van Friedrich Nietzsche, het lijkt mij een dankbaar startpunt voor elke schrijver die een biografie van Nietzsche zou willen schrijven (het staat ook aan de basis van mijn reeks de eeuwige terugkeer). Voor wie geen toegang heeft tot alle bronnen is het een ware schatkamer. Naast vele brieven van Nietzsche zelf, staan er ook brieven aan Nietzsche en brieven van vrienden en bekenden onderling in. Ook vind ik er recensies van Nietzsches werk, informatie over theaterbezoeken, de boeken die Nietzsche las of in ieder geval leende uit de universiteitsbibliotheek van Basel. Dat alles verrijkt met een enorme berg beeldmateriaal. Neemt hij zijn intrek in een hotel, staat er wel een oude foto van dat hotel uit hetzelfde jaar of in ieder geval uit de periode. Komt Nietzsche per trein aan in een stad, dan wordt dit meteen geïllustreerd met een foto van het station. Of de foto's en schilderijen geven een beeld van de personen die hij ontmoet, het landschap waar hij doorheen trekt. Natuurlijk is het niet voldoende voor een biograaf, de biograaf zal alle brieven, werken en nagelaten manuscripten willen lezen. Bovendien zal hij ook moeten selecteren, interpreteren en duiden. Ik lees het boek min of meer synchroon met Friedrich Nietzsche. A Philosophical Biography van Julian Young en het is zeer boeiend om daarin een paar hoofdstukken te lezen en vervolgens over te schakelen naar de Chronik en te ontdekken hoe Julian Young het materiaal naar zijn hand heeft gezet.

Jammer is wel dat al het beeldmateriaal in zwart-wit afgedrukt is. Voor de foto's uit die tijd kan ik me dat voorstellen, maar als het om schilderijen of andere gekleurde bronnen gaat, is dat te weinig. Gelukkig beschik ik dan over internet. Wanneer Nietzsche op een zondagochtend vanuit Lugano in een brief aan Malwida van Meysenbug schrijft over schilderijen die hij gezien heeft, dan beschik ik over de luxe om binnen een paar minuten op mijn laptop te zien over welk schilderij hij schreef. Natuurlijk is het zien van een schilderij op een beeldscherm iets anders dan er voor staan, maar het geeft toch een indruk.

Am Freitag, bei trüben regnerischen Wetter, ermannte ich mich um Mittag und ging in die Gallerie des Palazzo Brignole; und erstaunlich, der Anblick dieser Familienporträts war es, welcher mich ganz heraushob und begeisterte; ein Brignole zu Pferd, und in's Auge dieses gewaltigen Streitrosses der ganze Stolz dieser Familie gelegt – das war etwas für mein deprimirtes Menschenthum! Ich achte persönlich van Dy[c]k und Rubens höher als alle Maler der Welt. Die andere Bilder liessen mich kalt, ausgenommen eine sterbende Cleopatra von Guercino.

KSB 5, 236

19.9.2016

De zon begon net door te komen. Opnieuw is het windstil en ik hoor het geluid van de snelweg en de spoorbaan duidelijker dan anders. Ik vraag me af hoe dat komt, maar ik weet het niet. Het aardige van een vaste route is, dat ik kan vergelijken en de veranderingen in de natuur kan opmerken. Het grootste verschil vandaag is de violette bloei van de heide, daar is geen ontkomen aan. Het is een seizoensgebonden verschil en een hele mooie. Ondertussen kondigen de eerste boleten stilzwijgend de naderende herfst aan, dat is de andere kant die ik opmerk. Het aanstellerige licht van de zomer gaat langzaam maar zeker verdwijnen en ik ben er blij om. Ik weet dat veel mensen van de zomerse zon genieten en ik gun het ze, maar ik kan er niet omheen dat ik opleef wanneer ik de eerste tekenen van het najaar zie.

Meestal blijven de schapen op grote afstand, vandaag grazen ze op en langs het pad. Ik val ze niet lastig en ze kijken me schaapachtig aan, ik hoop dat mijn blik menselijk is. Ik moet opletten dat ik niet teveel door hun uitwerpselen loop en denk onwillekeurig aan het boek over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft. Terwijl ik verder ga komen er zinnen bij me boven, zinnen die ik in een andere tijd zo vaak heb voorgelezen. Wel hier en gunder, heb jij op mijn kop gepoept, vroeg de kleine mol aan de geit. Nee, hoezo, ik doe dat zo! antwoordde de geit en ratatata, daar stuiterden een heleboel kandijkleurige klontjes in het gras. De mol vond ze er eigenlijk wel lekker uitzien.

Bij het ven besluit ik de lange route te nemen. Eerst kwam deze route terug bij het ven waarna ik over de heide terug liep, maar om te voorkomen dat ik in de snikhete zon over de heide zou moeten lopen, heb ik de route gewijzigd. Behalve dat er op het andere pad meer schaduw is van bomen, is het daar ook rustiger. Vandaag zag ik slechts een konijn het pad over schieten. Als ik dan bij het pad richting de schaapskooi uitkom zie ik voor mij een stelletje lopen. Hij gaat gekleed in een pantalon en een gladgestreken overhemd, zij loopt op hoge hakken en benadrukt alles wat haar lang en smal maakt. Ik haat hoge hakken, ik begrijp niet waarom mensen los willen komen van de aarde en zeker niet in een bos. Ik heb geen zin om ze voortdurend voor mij te zien en bedenk dat het voor hen misschien ook prettiger is om niet steeds een klein, dik, kalend mannetje van middelbare leeftijd achter hun te weten terwijl zij verliefderig willen doen. Ik weet een alternatief en sla af. De zon schijnt nu volop, het is nog steeds windstil en ik neem die stilte mee naar huis.

2.9.2016

Klei wordt gebakken om een pot te maken,
maar de functie van de pot zit in zijn lege capaciteit.

Lao Zi Het boek van de Tao §11

Als ik een koffiemok uit de kast neem, moet ik er wel eens aan denken. Het is één van de charmes van het taoïsme, de beelden die deze levensvisie gebruikt zijn eenvoudig en staan dicht bij het dagelijkse leven. Het gaat ook niet om die mok die ik uit de kast pak, maar om de leegte in de beker die ik nodig heb. Deze leegte is geen eigenschap van de mok, toch geeft het een functie aan het object. Het is de ruimte die ik gebruik, door er bijvoorbeeld koffie in te schenken (taoïsten geven waarschijnlijk de voorkeur aan thee). Natuurlijk gebruikte Lao Zi de uit klei gebakken pot als een metafoor. Tao is geen eigenschap van de materiële wereld, maar Tao maakt de wereld mogelijk, zoals de leegte van de mok de mok mogelijk maakt, het tot een mok maakt. Zodat ik koffie kan drinken.

Is de mens een gevangene van zijn behoefte om achter de zintuiglijke werkelijkheid een andere werkelijkheid te denken, zoals ik dat in 1521 opperde? Kunnen we ons ontrekken aan een bewustzijn dat altijd in tegenstellingen wil denken? Dat als er een wereld is die altijd maar voortgaat en verandert, zoals de rivier van Heraclitus, er ook een wereld moet zijn voorbij de waarneembare veranderlijkheid, een werkelijkheid die verbindt en eenheid schept door middel van een eeuwige God, of een principe, of een oerstof, een archetype. Een werkelijkheid waarin de antwoorden verborgen liggen op onze vragen naar het waarom van deze wereld en het leven erop. Een werkelijkheid wellicht die als ijkpunt kan dienen voor wat goed of fout is, of wat constructief of destructief is, hoe we horen te leven, wat we kunnen denken, wat we mogen hopen. Of een werkelijkheid waarvan we niets weten en waarvan we kunnen zeggen dat deze niet bestaat, er niet is, een onhoorbare stilte.

Dat laatste schuurt zeer dicht langs het taoïsme en is één van de redenen waarom die levensvisie mij zo boeit. Ik noem het taoïsme expres geen godsdienst, want het kent geen god of goden, het kent geen officiële leer (geen dogma's, geen theologie), het is niet geïnstitutionaliseerd, het kent geen opperste spirituele leider, het kent ook geen heilig boek zoals de Bijbel en de Koran (al komen de Laozi en de Zhuangzi wel erg dichtbij). Het taoïsme kent ideeën en gedachten die je filosofisch of religieus zou kunnen noemen, maar de gemiddelde taoïst zal daar zijn hoofd niet over breken. Mogelijk dat het in praktijk wel als godsdienst functioneert. Het zal in de loop van de geschiedenis ongetwijfeld zijn gebruiken en rituelen hebben ontwikkeld die al of niet dwingend zijn. Ook zullen er wel gedragsregels zijn en zal er wellicht een moraal zijn gevormd. Natuurlijk kent het ook wijze mannen en vrouwen die gerespecteerd worden. Maar er is geen autoriteit die het laatste woord heeft en er is nergens geformuleerd hoe iemand taoïst kan worden. Iedereen mag zichzelf taoïst noemen en tegelijkertijd christen, agnost of atheïst zijn. Het gaat de taoïst niet om de klei waarvan de pot gemaakt is, maar om de ruimte die erin schuilt.

Het gaat om Tao, dat is het enige zekere wat ik over het taoïsme zou kunnen zeggen. Maar wat dat precies is, dat weet niemand. Althans, het begrip onttrekt zich aan de taal, omdat taal slechts in tegenstellingen kan denken en Tao juist daaraan voorbij wil gaan. Ik kan eindeloos proberen te beschrijven wat Tao is en dit zal misschien Tao dichterbij brengen, maar ondertussen zou ik nooit zo veraf zijn. Daar waar begrippen en concepten zwijgen, daar waar het denken in tegenstellingen verstomt, daar zou ik Tao kunnen ervaren. Ik zou het niets kunnen noemen, leegte, stilte, maar dan niet volgens ons concept van wat niets, leegte en stilte is. Taoïsten zoeken Tao niet in een andere werkelijkheid, eerder in de voortdurende veranderende realiteit zelf (taoïsten gebruiken graag het beeld van stromend water). Hoe alles bijelkaar komt en uitelkaar gaat en weer opnieuw transformeert. Zoals ik het zelf altijd probeer te omschrijven: hoe alles zijn natuurlijke gang gaat wanneer er geen bepalende begrippen en concepten zijn, wanneer er niet geforceerd, gestuurd of afgedwongen wordt. Het is een realiteit van mogelijkheden, van potentie. Het is een werkelijkheid van ruimte in een vorm. Het is spontaniteit zonder dat die spontaniteit gewild wordt. Tao is wellicht nog het beste te benaderen door elk begrip dat als toelichting gebruikt zou kunnen worden meteen weer te ondermijnen. Ik zou kunnen zeggen, dat Tao paradoxaal is om er meteen aan toe te voegen: zonder dat het paradoxaal is. Kunt u me nog volgen? Een centraal idee in het taoïsme is wu wei, hetgeen zoiets betekent als doen door niet te doen, als een blaadje dat meegevoerd wordt op een stroompje.

Tao verwijst naar een werkelijkheid achter de werkelijkheid en is in die zin transcendentaal, maar blijft tegelijkertijd zo versmolten met onze zintuigelijke werkelijkheid, dat het eveneens immanent is. Die versmelting is zo volledig dat ik me ga afvragen of het onderscheid tussen transcendent en immanent hier nog zinvol is, ergo, of die begrippen nog wel betekenis hebben. (Ik denk het niet, dat moge duidelijk zijn.) Vooral de geschriften van Zhuang Zi leert ons dat wie Tao wil uitleggen eigenlijk alleen maar verhalen kan vertellen, verhalen uit het dagelijkse leven. Daarbij wordt er met het voertuig van het verhaal, de taal, gespeeld en vaak op humoristische wijze onderuit gehaald. Het is een manier om ons bewust te maken dat we niet gevangen zitten in een behoefte aan een transcendente wereld, een wereld achter een wereld, maar dat we gevangen zitten in onze begrippen en concepten waarmee we onze werkelijkheid construeren. De taoïstische verteller van verhalen zoekt hier als het ware de ruimte in de taal op en daarmee de ruimte in onze wereld. Hier wordt onze verstarde rationele wereld opengetrokken en toont het ons een wereld van mogelijkheden, een wereld die creativiteit en fantasie aan ons ontlokt. Hier wordt geluid niet terug gebracht tot golven, maar is er de mogelijkheid om er muziek van te maken. (Kunst leidt ook niet tot transcendentie of immanentie, het is hooguit een andere manier van kijken en luisteren. Kunst verandert mensen niet, mensen veranderen, ze gaan beter luisteren en kijken, zodat zij kunst kunnen maken en ervaren.)

Het taoïsme verwijst niet naar een werkelijkheid achter de werkelijkheid. Het taoïsme vertelt ons dat wij voortdurend een werkelijkheid over de werkelijkheid heen leggen door middel van onze zintuigen en onze taal. Het taoïsme wil ons beter leren ruiken, proeven, voelen, kijken en luisteren. Leven met open zinnen. Misschien dat je dan een eenheid en verbondenheid ervaart. Op de vraag 'waar komen we vandaan, waar gaan we naar toe' zou je dan kunnen zeggen: kijk naar de natuur, hoe alles ontstaat en weer vergaat, meer is er niet. Op de vraag naar de zin van dit alles, zou je kunnen denken aan een antwoord als: er is geen zin, er is evenmin zinloos. En op de vraag waarom er überhaupt iets is en niet niets zou de taoïst waarschijnlijk in lachen uitbarsten en de vraag stellen: wat ís er dan?

Nadat ik de beker uit de kast gepakt heb en de ruimte gevuld heb met koffie, loop ik naar mijn bureau en neem plaats achter de laptop. Terwijl ik de eerste slok koffie neem, open ik een leeg document. Daar is ruimte voor gedachten, associëren, verbinden en uit elkaar halen. Ik vul de zwijgzame ruimte met mijn woorden en merk dat ze hun eigen gang gaan. Ik verbaas me over mijn eigen tekst, ik wist niet dat ik dit in me had. Zo komt iets uit niets voort.

20.8.2016

Mystieke verklaringen gaan door voor diep;
de waarheid is dat ze nog niet eens oppervlakkig zijn.

Friedrich Nietzsche De vrolijke wetenschap §126

Waarschijnlijk is het een diep gevoelde menselijke behoefte om een (transcendentale) eenheid achter de verschijnselen te denken. Wanneer zou die behoefte ontstaan zijn? Is het een bijproduct van het menselijke bewustzijn? Is het een bijproduct van de menselijke taal? Voelen andere dieren die behoefte ook?

Vragen waar ik geen antwoord op weet. Vragen die, zo vermoed ik (ja werkelijk, ik kan dit alleen maar vermoeden), verwant zijn aan vragen als 'waar komen wij vandaan', 'waarom zijn wij hier, wat is het doel ervan' of 'waarom is er überhaupt iets en niet niets'. Het zijn niet alleen godsdienstige, spirituele vragen. De metafysische verwondering heeft evenzeer geleid tot de nieuwsgierigheid die aan de basis staat van de rationele, natuurwetenschappelijke methode. Grofweg zou ik kunnen zeggen dat er een lijn loopt van de eerste pogingen van de presocratici de oerstof van alle verschijnselen te ontdekken en te formuleren tot aan de wens een theorie van alles te ontwikkelen in de moderne tijd. Zou het kunnen zijn dat deze archetypische behoefte om achter de wereld van voortdurende verandering een wereld te weten die blijvend is, die stabiel is en waarop te vertrouwen valt, dat wellicht de bron is van al het leven en waar het leven in oplost na de dood – zou het kunnen zijn dat deze behoefte de bron is van alle menselijke cultuur?

En wat nu als dat niet zo is? Dat er geen eenheid vormend principe is? Dat er geen voor, na, boven, onder, dieper is? Zouden we die gedachte überhaupt kunnen denken? Zouden we die gedachte kunnen toelaten? Is dat psychisch mogelijk?

Ik denk het niet. Wanneer ik speel met de gedachte dat er geen oerstof of oerbron is waar alles uit voortgekomen is, dat er geen sluitende allesomvattende theorie of formule mogelijk is, dat er niets is buiten mijn zintuigelijke werkelijkheid, dan nog kan ik niet ontkomen aan de paradox dat er iets afwezig is. Altijd weer dat tot wanhoop drijvende irritante woordje er dat mij gevangen houdt in een snijpunt van tijd en ruimte. Geen ontkomen aan. Hooguit zou ik achter de zintuiglijke wereld van de verschijnselen een grote afwezigheid kunnen vermoeden, een niets, een diepe stilte en dat is voor mij al voldoende.

5.8.2016

Het was windstil in het bos vanochtend, waardoor ik nog meer hoorde. Het roepen van vogels, het zeurzoemen van insecten, de geluiden van mijn eigen voetstappen. Opnieuw had ik spijt dat ik niet nog vroeger op pad was gegaan, maar dan had ik waarschijnlijk iets gemist. Voor de eerste keer in dit bos zag ik een hert en ik zag hem pas toen hij het op een lopen zette. Geruisloos.

4.8.2016

Toen ik onlangs §125 uit de De vrolijke wetenschap weer eens doorlas, bleven mijn gedachten hangen bij de passage God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood! Hoe moeten wij ons troosten, wij moordenaars aller moordenaars? Die vraag Hoe moeten wij ons troosten? intrigeerde me. Ik stelde me zo voor dat ik Nietzsche uit de telefooncel Tardis haalde en zou rondleiden in deze tijd, dat ik hem zou laten zien hoe mensen zich tegenwoordig troosten. Internet en televisie, pilletjes en popconcerten, goddeloos mediteren en sportevenementen, kroegbezoek en zonaanbidden, winkelstraten en pretparken. Onder andere. Maar dan zou ik mezelf teveel een misantroop vinden, dus toonde ik hem mijn boekenkast en maakten we een wandeling door het bos. Op de vraag naar troost heeft iedereen zijn eigen antwoord.

3.8.2016

Het pad volgt zoveel mogelijk de meanderende Kromme Rijn. Woonhuizen kijken uit over het mooie landschap, bedrijven staan juist afgewend, zodat ik niet het visitekaartje van de voorzijde zie, maar de werkelijkheid van afval en opslagruimtes. Zo nu en dan kruist het pad een snelweg of een provinciale weg, zodat ik soms buigend door een tunnel moet. De moderne maatschappij raast verder naar haar eindbestemming, ik ga er onderdoor.

Terwijl ik mijn eenzame tocht voortzet – ik kom zo nu en dan alleen een hond tegen die zijn of haar baasje uitlaat – denk ik aan de geschiedenis van het pad. Ooit was de Kromme Rijn een economische snelweg waarover produkten uit Wijk bij Duurstede en omstreken naar de markt in Utrecht gebracht werden. En nog langer geleden, toen Utrecht nog niet bestond, brachten de Romeinen over de Kromme Rijn het bouwmateriaal om op de plek waar nu de Dom van Utrecht staat een fort te bouwen die de noordgrens van het Romeinse Rijk moest bewaken.

Bewust van de geschiedenis van het pad ga ik voort en zie dat de natuur het overgenomen heeft van de menselijke activiteit. De stilte laat het lawaai van de moderne beschaving steeds verder terugwijken in de coulissen, achter het decor. Mijn tempo is de menselijke maat, ik wandel, gebruik geen apparaten of een ander levend wezen. De gedachte komt bij me op, dat dit de smalle wegen zijn aan de achterkant van de maatschappij. Een wereld van losse eindjes, maar geen modieuze stress en haast, geen wereld die overal een wedstrijd van maakt, geen verleidingen van reclame, geen verleidingen tot een identiteit op maat, nee, deze verborgen wereld lijkt ondergronds te gaan en het bevalt me wel. Het heeft geen mening over mij, hooguit is er een koe die me meewarig herkauwend aankijkt of een lammetje met een pretogende blik of hazenoren die boven het loof uitsteken om naderend menselijk gevaar op tijd te signaleren. Daar is de berusting van die eeuwig voortstromende rivier. Soms is de Kromme Rijn even uit het zicht verdwenen, maar dan komt ze ineens om een hoek weer te voorschijn en dan wil ik haar wel omarmen. Deze verborgen wegen herinneren mij aan een andere mogelijke wereld, een wereld in de marge misschien, een wereld waarin ik wil wandelen.

20.7.2016

Ik keek de kring rond. Mijn blik bleef bij één iemand steken. Waarom? Vond ik haar mooi, lachte ze, wat was het ... wat heb ik op dat moment gedacht? Ik kan het niet meer terughalen. Ik herinner me slechts dat ze me opviel en dat het anders was dan anders. Het zou nu zo makkelijk zijn om het liefde op het eerste gezicht te noemen, maar er sloeg geen bliksem in, dat niet, maar wat het wel was ... (#115).

Vandaag is het dertig jaar geleden. Ik moest mijn dagboek uit die tijd er wel op na slaan. Maar maandag 30 juni 1986 was de dag. Volstrekt zinloos natuurlijk om bij die dag stil te staan, er is zoveel gebeurd sindsdien. Maar toch, het was het begin van een gedenkwaardige week die ik nooit zal vergeten. Nu kan ik ook zeggen: de eerste grote liefde die men gevoeld heeft vergeet men nooit. Ik weet niet of ik ooit nog tot zoiets in staat zal zijn.

Het ga je goed, lieve H.

30.6.2016

Schijnbaar had ik thuis mijn rugzak niet goed ingepakt. Toen ik op de afgesproken plek kwam waar ik twee reisgenoten ontmoette, bleek er van alles in te ontbreken. Ik herkende de mannen nauwelijks, waren het medeleerlingen geweest op de middelbare school? Er was nog tijd voordat we naar Taizé zouden vertrekken om in de dichtstbijzijnde plaats de nodige, ontbrekende kleding te kopen. Dus fietste ik door een landschap die ik moeizaam herkende uit eerdere bezoeken aan deze wereld. Natuurlijk maakte ik een omweg, dat leek me verstandig. Ook in de plaats zelf – geen idee welke plaats, maar ik was er eerder geweest – had ik het gevoel dat ik voortdurend een andere dan de kortste weg moest nemen. Ik bereikte een kledingwinkel, keek rond en wilde hulp. Maar het personeel leek er niet te zijn om de klanten van dienst te zijn. Op deze wijze zou alles verkeerd lopen, ik zou te laat terug zijn en ik zou nooit mijn bestemming bereiken. Een angstige onrust diende zich aan en op het moment dat de paniek toesloeg, stokte het verhaal en loste het op in het duister van de nacht. Ik vond het terug in de stilte van mijn slaapkamer.

27.6.2016

Het is boeiend om te lezen hoe natuurkunde en scheppings- en ontstaansmythen soms langs elkaar schuren. Bij het lezen van totaal verschillende boeken kreeg ik de neiging om zo nu en dan de verschillende belevingswerelden van de schrijvers inelkaar te schuiven. Toch is het natuurkundige 'niets', het vacuüm, wat anders dan het Taoïstische 'niets' en zijn de positieve en negatieve energieën uit de natuurkunde wat anders dan het yin en yang uit het Taoïsme. Bijna zou ik zeggen: het is het verschil tussen proza en poëzie, maar ook dat is wat kort door de bocht. De verwondering blijft.

Negen hoofdstukken geleden stelden we onszelf de vraag 'Waaruit is alles ontstaan?' Na meer dan tweeduizend jaar aan ideeën voorbij te hebben zien komen zijn we aanbeland bij het antwoord zoals het op dit moment luidt: 'Alles is uit niets ontstaan.' De hedendaagse natuurkunde acht het mogelijk dat het heelal uit het vacuüm is voortgekomen. Een opmerkelijker verband dan de koppeling tussen 'niets' en 'iets' waar we het hier over hebben is nauwelijks denkbaar. Iets populairder geformuleerd: 'Misschien hebben we het heelal toch echt in de schoot geworpen gekregen.' Het idee is dat ons heelal mogelijk een gigantische quantumfluctuatie is met een totale 'virtuele' energie die zo dicht bij nul ligt, dat de levensduur ervan mogelijk ontzaglijk lang is. Dat dit kan, komt doordat er in het heelal, als gevolg van de alles doordringende aantrekking van de zwaartekracht, zowel positieve als negatieve energieën schuilgaan.

Frank Close Niets, 152

In Laozi 1 wordt Tao dus 'niets' genoemd. Er was 'niets' voordat hemel en aarde, de tienduizend dingen, dit universum, bestonden. Dit klinkt ons misschien wat merkwaardig in de oren, want wij leven in een wereld waarin alles 'iets' is: een vorm, een levend wezen, een stukje natuur, zelfs een gedachte of gevoel is 'iets'. Al deze 'ietsen' hebben met elkaar gemeen dat ze eens ontstaan zijn, een tijdlang bestaan, waarna zij ophouden te bestaan. Alleen gedurende hun bestaan hebben zij een vorm, en daarom zijn zij 'iets', maar zij danken hun functie aan het niets. Wanneer de vorm verdwijnt – b.v. wanneer de vaas breekt – dan blijft de lege ruimte die de vaas zijn functie gaf bestaan. Zo is Tao overal aanwezig, maar nooit gebonden aan enige vorm.

We zouden ook kunnen zeggen dat er voor het ontstaan van ons universum alleen maar pure energie bestond. Energie gezien als energetisch veld dat alle mogelijke patronen in de kiem bevat. Geen enkele daarvan heeft vorm, er is in dit veld nog niets geopenbaard. In die zin is dit veld nog 'niets'. Uit dit informatieloze krachtveld ontstaat dit universum. Geleidelijk aan worden al die patronen getransformeerd tot zichtbare vormen, zij worden 'iets'.

(...)

Met dit niets wordt Tao bedoeld. Met iets wordt de schepping van deze wereld bedoeld, hier 'de moeder' genoemd.

Elly Nooyen Hart voor Tao, 40-41

25.6.2016

Op een dag doe je het. Je trekt je schoenen aan, schoenen die je speciaal hebt uitgezocht. Je hangt je rugzak op je rug en ook die rugzak heb je er speciaal voor gekocht. In die rugzak zitten alleen de noodzakelijke spullen, het mag niet te zwaar zijn. (Dus geen boeken? Nee, geen boeken, misschien één, maar welke?) Verder alleen de kleren die je draagt en misschien een stok in je rechterhand, maar dat is het dan. En een hoofd vol herinneringen en verwachtingen, laat ik dat niet vergeten. Je doet de eerste stap en je denkt aan Lao Zi, had hij niet geschreven dat elke reis met een eerste stap begint? Dat is 'm dan, de eerste, er zullen nog vele volgen.

Waarom? Daarom. Nee, ik weet het niet echt. Is het een midlifecrisis? Wellicht. Als alle wegen in je leven ten einde zijn gelopen, moet je een nieuwe reis maken. Zoiets. Nieuwsgierig naar wat zich aandient als je volledig op jezelf bent aangewezen. Kun je alle sociale rollen en verplichtingen, alle maskers achter je laten? Het avontuur, de Fernweh, sommigen vonden me toch al een romanticus. Wat is er achter de horizon, wat is er achter mijn horizon? Is het een vlucht? Nee, er zijn gemakkelijkere manieren om te vluchten. Is het een roep om een religieus of spiritueel pad te volgen? Evenmin, ik geloof daar niet in.

Reiziger, er is geen weg / de weg maak je zelf, door te gaan, schreef dichter Antonio Machado.

Toen ik op een woensdagmiddag de trailer van de documentaire Compostella zag, wist ik, daar moet ik heen. De film, niet Compostella, dacht ik nog gekscherend. Dezelfde avond zat ik al in mijn favoriete filmhuis, ik kon niet wachten. Ik was benieuwd naar de beelden, de verhalen. Ik werd niet teleurgesteld, de beelden waren prachtig, te mooi om waar te zijn. De verhalen waren beknopt, te beknopt en de citaten die een zekere wijsheid moesten suggeren, hadden van mij niet gehoeven. De muziek was bij vlagen schitterend! Maar al was de film in zekere zin middelmatig, ik werd er wel door gegrepen. Ik betrapte me op gedachten als 'dit gaat over mij', 'dit wil ik', alsof ik de reis al eens in een vorig leven gemaakt had. Het ontroerde me, ik voelde zelfs tranen, maar veegde ze weg, laten we niet sentimenteel en dramatisch doen. Er klonk een stem in mij: jij gaat dit doen, ook al zul je je verzetten. Het overstemde zelfs die andere stem, die stem die me al heel mijn leven begeleidt: dat kun jij niet, daar ben jij niet geschikt voor. Toen ik de bioscoop verliet, voelde ik een gigantische energie, ik lachte de wereld tegemoet. Alsof ik een doel gevonden had. Alsof allerlei chaotische lijnen in mijn leven ineens samen kwamen en iets deden kantelen in mijn gedachten. Boeken die ik gelezen had van wandelaars (Friedrich Nietzsche, Ton Lemaire, W.G. Sebald enz.), ideeën die ik had over stilte, eenvoud en alleenzaamheid, maar ook de simpele wens om ooit eens op vakantie te gaan in het noorden van Spanje. Om er maar een paar te noemen.

De dagen erna kon ik aan niets anders denken. Ik zocht informatie op internet. Ik begon plannen te maken om grotere afstanden te lopen, ik herkende deze bezetenheid, het was me ooit eerder overkomen, bijna dertig jaar geleden. Ja, verdomd, het is aan het einde van deze maand dertig jaar geleden dat ik in Taizé die ogen zag die mijn leven de jaren erna zo zou veranderen. Ditmaal was ik echter niet verliefd op een paar ogen, maar op een idee.

Gaat het dan echt gebeuren? Die eerste stap op een dag? Ja, ik denk het wel, al zijn er nog wat praktische bezwaren en moeten er nog drempels genomen worden en al huiver ik bij de gedachte. Wie weet over een aantal jaren, maar de tijd zal er ooit rijp voor zijn.

12.6.2016

Hoe ontstaat zo'n verhaal? Vooral als het niet waar is? Is het roddel en achterklap? Heeft iemand iets verzonnen, gebaseerd op horen zeggen en er een eigen wending aan gegeven, waardoor het verhaal steeds fantastischer werd? Het zal wel een raadsel blijven, maar het verhaal dat in Turijn onstond wordt eindeloos herhaald, het is overal te vinden, waardoor het verhaal zolangerzamerhand een onderdeel is geworden van zijn biografie. Het zou waar moeten zijn, want het is een mooi verhaal.

De oudste bekende getuigenis staat in een Italiaanse krant Nuova Antologia op 16 september 1900, ongeveer een maand na het overlijden van Nietzsche. Het anonieme artikel vertelt het verhaal dat elf jaar eerder in Turijn op de piazza Carlo Alberto gebeurd zou moeten zijn. Alleen het afranselen van het paard door een koetsier ontbreekt – het paard dat Nietzsche snikkend omarde toen hij zijn bewustzijn verloor. Pas in 1930 schrijft Erich Podach over dat detail. Zijn bron is de mondelinge overlevering uit Turijn. Sindsdien is het langzaam maar zeker onderdeel gaan worden van het verhaal rond Nietzsches geestelijke ineenstorting.

Vaak is gewezen op het vijfde hoofdstuk uit het eerste deel van Misdaad en straf van Dostojewski. Raskolnikov heeft een nachtmerrie en droomt hoe hij als zevenjarige met zijn vader een wandeling maakt buiten de stad. Daar is hij getuige van een menigte dronken boeren die zich vermaken met het aftuigen van een klein mager, geelbruin boerenpaardje (61) dat een veel te grote last moet trekken en niet in beweging kan komen. De eigenaar Mikolka slaat het in een roes van drank en agressie dood. Pas dan komen de toeschouwers tot bezinning. Jij hebt toch zeker geen menselijk gevoel in je lijf! roepen nu al vele stemmen uit de menigte (64). En dan komt het, het zevenjarige jongetje Raskolnikov

weet al niet meer wat het doet. Schreeuwend dringt hij door de menigte heen naar het geeltje toe, legt zijn armpjes om zijn dode, bebloede bek en kust het op zijn ogen, op zijn lippen... Dan springt hij plotseling op en in razernij vliegt hij met zijn vuistjes opgeheven op Mikolka toe. Op dat ogenblik grijpt zijn vader, die allang achter hem aanzat, hem ten slotte beet en draagt hem uit de menigte weg.

F.M. Dostojewski Misdaad en straf, 64

Hoe mooi ook dat er een verband gelegd zou kunnen worden met een door Nietzsche bewonderde schrijver, het verhaal komt, afgezien van het omhelzen van het paard, nauwelijks overeen. In Turijn ging het om een koetsier die zijn paard sloeg, bij Dostojewski om een menigte. Bij de laatste sterft het paard, in Turijn ging het louter om het medelijden van Nietzsche met een geslagen paard. Zo zijn er nog wel meer verschillen op te sommen. Hooguit is deze droom over Raskolnikovs innerlijke strijd met zichzelf en de wereld, een beeld dat ook bij Nietzsche past. Het zou waar moeten zijn, maar het is te mooi om waar te zijn.

29.5.2016

Het trok mijn aandacht, omdat het dik was en mooi vormgegeven. Pas in tweede instantie zag ik de schrijver en de titel. Het is de calvinist in mij die houdt van sober vormgegeven boeken. De gebonden Russische bibliotheek van Van Oorschot bijvoorbeeld, maar ook vele uitgaven van Athenaeum, zoals de Grote Bellettrie Serie. Gottfried Keller Groene Heinrich. Ik pakte het op, bladerde erin, maar kocht het niet. Nog zoveel ongelezen boeken in mijn kast, ik zag geen reden om dit boek er nu aan toe te voegen.

Een paar dagen later struikelde ik in Friedrich Nietzsche. A Philosophical Biography van Julian Young over de passage Gottfried Keller (the Swiss author of the novel Green Henry, which Nietzsche greatly admired) on the other hand thought it a 'juvenile' product of someone overeager to be a 'big man' (171). Zoveel gelezen over Nietzsche, maar dit was me onderweg schijnbaar ontgaan. Nietzsche was naast een schrijver ook een lezer en niet alleen van filosofische boeken, ik vergat dat wel eens. Dat hij graag Stendhal las, was ooit al eens een reden geweest om een boek van die schrijver paraat te hebben in mijn boekenkast. Net als Dostojewski en vaak is gewezen op een zekere verwandschap tussen die twee, al hebben ze elkaar nooit ontmoet.

Julian Young doelde op een brief die Gottfried Keller schreef aan Emil Kuh:

Das knäbische Pamphlet des Herrn Nietzsche gegen Strauß habe ich auch zu lesen begonnen, bringe es aber kaum zu Ende wegen des gar zu monotonen Schimpfstils ohne alle positiven Leistungen und Oasen. Nietzsche soll ein junger Professor van kaum 26 Jahren sein, Schüler van Ritschl in Leipzig und Philologe, den aber eine gewisse Großmannssucht treibt, auf anderen Gebieten Aufsehen erregen zu wollen. Sonst nicht unbegabt, sei er durch Wagner-Schopenhauerei verrannt und treibe in Basel mit ein paar Gleichverrannten einen eigenen Kultus. Mit der Strauß-Broschüre will er ohne Zweifel sich mit einem Coup ins allgemeine Gerede bringen, da ihm der stille Schulmeisterberuf zu langweilig und zu langsam ist.

uit: Josef Rattner Nietzsche. Leben – Werk – Wirkung, 39

Nietzsche zal wel niet op de hoogte geweest zijn van dit oordeel. Wanneer meer dan tien jaar later een gelegenheid zich voordoet om de schrijver Keller te ontmoeten, schrijft hij hem een brief:

Sils-Maria, Oberengadin
20 Sept. 1884.

Hochverehrter Herr,

vom 25. September an werde ich meinen Herbst-Aufenthalt in Zürich nehmen (in der Pension Neptun, inneres Seefeld) Zu den Wünschen die ich mit diesem Aufenthalte verbinde, gehört – zu aller oberst – der Wunsch, von Ihnen die Erlaubniß zu einem Besuche zu erhalten (nebst einem Wink über Ort und Stunde, vielleicht in der Museums-Gesellschaft? oder wie es Ihnen gut und gelegen dünkt.)

Mein "Zarathustra" ist hoffentlich in Ihren Händen? – Mit ehrerbietigstem Gruße

Prof. Dr. Friedr Nietzsche

KSB 6, 533-534

Op dinsdag 30 september 1884 vindt de ontmoeting plaats. In de overgeleverde brieven van Nietzsche vertelt hij niets over deze ontmoeting. Maar na het bezoek aan Keller wandelt hij met Robert Freund, een oude bekende en leerling van Franz Liszt. Deze herinnert zich later:

Nachdem der Besuch stattgefunden, ging ich am Nachmittag mit Nietzsche spazieren und frug ihn, wie es bei Keller gewesen sei. Es sei sehr nett gewesen, antwortete Nietzsche, nur entsetzte ihn das entsetzliche (sic) Deutsch, das Keller spreche und die mühsame Art, mit der sich der große Schriftsteller mündlich ausdrückte. Am nächsten Sonntag frug ich dan Keller, ob Herr Nietzsche ihn besucht habe. Keller bejahte und setzte hinzu: 'Ich glaube, dä Kerl ischt verruckt'.

Chronik, 595

Ondertussen staat de Groene Heinrich in mijn kast, ondanks het gemopper van al die andere boeken die nog gelezen moeten worden. Wanneer ik proef van de eerste bladzijden, begrijp ik waarom de bergwandelaar en natuurliefhebber Nietzsche dit boek zo mooi gevonden moet hebben.

27.5.2016

De schaduwen van de takken grijpen hem bij de kladden. Waar heb ik die bomen eerder gezien? Ik herken hem aan zijn norse blik, zijn wilde haardos, zijn gebogen hoofd getekend tegen de achtergrond van een bewolkte hemel. Maar ik moet ook lachen zoals hij daar staat, alsof hij ergens verschrikkelijk van baalt. Er is iets eigenaardigs met het stromende water wanneer ik het schilderij online bekijk, er is bijna geen onderscheid te maken tussen het steen van de rotsen en het water van het stroompje. Gestolde dynamiek. Misschien versterkt dat mijn indruk dat hij net zo goed zuchtend naast een graf zou kunnen staan. Ja, daar staat hij, eenzaam, in de houding lijkt het wel, met in de linker hand een hoed, de rechter hand bijna in zijn jas gestoken zoals Napoleon dat zou doen. Luistert hij? Hoort hij het fluisteren van de bomen?

26.5.2016

In de avond hoor ik doffe tikken op het raam aan de balkonzijde. Ik zie kleine schaduwen met vereende kracht proberen door het raam te komen. In de spiegeling van mezelf zie ik de oorzaak: nachtvlinders, ze komen af op het licht dat mijn lamp verspreidt. Het doet me denken aan een boek uit mijn jeugd, De Ozon Expres van Diana Ozon. Vaag herinner ik me hoe de hoofdpersoon in het eerste hoofdstuk een motvlinder laat ontsnappen uit de coupé van de trein. Toen hadden de treinen nog ramen die open konden. Het boek staat niet meer in mijn kast.

De volgende ochtend zie ik een motvlinder liggen op het balkon. Het ligt op de rug en krioelt wanhopig met de pootjes in de lucht. Wanhopig, althans dat is mijn menselijk gevoel, of de vlinder dat zo ervaart, dat weet ik niet. Hoe dan ook, ik pak een papiertje en draai het beestje voorzichtig om. Het blijft uitgeput zitten. Langzaam begint het dan te lopen, de pootjes werken nog. Centimeter voor centimer kruipt het vooruit, totdat het vanuit de schaduw in de zon terecht gekomen is. Het blijft weer stil zitten, even uitblazen, zo stel ik me voor. Dan zie ik dat de vleugels langzaam verschuiven en ineens ontvouwen ze zich en vliegt het beestje op. Eerst botst het nog tegen één van de spijlen van het hek, maar dan vindt het de vrijheid, de zon tegemoet. In gedachten wens ik het beestje een behouden reis en waarschuw voor het licht. Niet al het licht is hoopgevend.

12.5.2016

Ik schrijf, maar onder de bodem van het geschrevene ligt altijd nóg een afgrond. Daar zijn woorden, mijn woorden, onbereikbaar. Ik hoor hun echo, soms hun muziek, maar ik versta ze niet. Hoe ver ik ook over de rand hel om mijn oor te luisteren te leggen, de klanken blijven onpeilbaar. Ik moet loslaten, me onderwerpen, maar ik heb geen talent om te springen.

22.4.2016

Doe alle muziek weg! Ban de muziek uit je leven! Cd's weg, bladmuziek weg, alle digitale muziek van je laptop verwijderen! Een verbazingwekkende gedachte voor iemand voor wie muziek altijd zo belangrijk is geweest in zijn adolescente jaren. Elke dag luisterde ik naar muziek. Tijdens het huiswerk maken, maar ook in het schemerdonker in een stoel, ogen gesloten, geconcentreerd opgaan in een wereld van klanken. Had ik niet geprobeerd studie te maken van muziek? Toch kwam deze gedachte de laatste jaren steeds vaker bij mij op. Wat was er veranderd?

Het moet begonnen zijn in de tijd, dat ik in een vaste relatie verzeild raakte. Ondanks vele raakpunten liep onze behoefte aan muziek niet synchroon. Desalniettemin was er gelegenheid genoeg om naar muziek te luisteren, al dan niet samen. Een grotere aanslag op mijn tijd voor muziek was werk. Elke dag op en neer naar Amsterdam maakte dat ik overdag geen gelegenheid had en 's avonds te moe was. Toen het vaderschap zich aandiende was de muziek weliswaar niet uit mijn leven verdwenen, maar marginaal geworden. Ik vond het geen groot probleem, want er was een ander zwaartepunt in mijn leven gekomen: boeken lezen. Ik had altijd wel veel gelezen, maar nu noemde ik het vaak gekscherend een levensvoorwaarde: een dag niet gelezen is een dag niet geleefd.

Mijn werk is weggevallen en ook mijn relatie is ten einde, ik leef nagenoeg weer alleen. Enerzijds voel ik de neiging om weer aan te sluiten bij mijn vroegere leven, anderzijds weet ik maar al te goed dat dat niet gaat. Is de wens om de muziek uit mijn leven te halen een heimelijke wens om helemaal opnieuw te beginnen? Is het de stem van de kluizenaar in mij die oproept tot stilte?

Nietzsches geestelijke gezondheid stond al op instorten toen hij schreef: Wat is er toch weinig nodig voor geluk! De klank van een doedelzak. – Zonder muziek was het leven een vergissing. De Duitsers stellen zich God zelfs zingend voor. Dat ene zinnetje wordt vaak geciteerd, in het Duits: Ohne Musik wäre das Leben ein Irrthum, maar wie het in de context van zijn boek Afgodenschemering leest, begint te twijfelen of Nietzsche het wel zo positief bedoelde. Nietzsche klinkt cynisch en sarcastisch, breekt heilig huisjes af en het zou me niet verbazen wanneer dit fragment ook een sneer is naar zijn vroegere idool Wagner (de titel van het boek is dat immers al en bovendien liet Wagner goden zingen).

Op een avond dempte ik het licht, ging in een gemakkelijke stoel zitten, zette een strijkkwartet van Haydn op en sloot mijn ogen. Na jarenlange muzikale ascese werd ik genadeloos in een vergeten wereld van schoonheid gezogen, de mysterieuze wereld van georganiseerde klanken. De magie was niet verdwenen, het was al die jaren latent aanwezig gebleven, het had slechts sluimerend afgewacht tot het weer tot leven mocht komen. Ik was blij dat ik zo slecht naar mezelf geluisterd had. Mijn leven zonder muziek was een vergissing.

17.4.2016

Ontbijt. De vraag: papa, waarom doen mensen dat eigenlijk?

Dat woordje: eigenlijk.

Ik mompel iets als dat weet ik ook niet, hoor. Het is waar, ik weet het niet, maar ik zeg het ook om tijd te winnen. Mijn gedachten gaan alle kanten op. Natuurlijk, ik kan gaan roepen hoe stom en dom die mensen zijn, dat het idioten zijn, gestoorden, maar ik weet ook dat dat geen bevredigend antwoord is. Ik moet proberen ze gerust te stellen.

Onhandig begin ik een verhaal over mensen die graag willen dat de wereld beter wordt, een wereld waarin iedereen blij en gelukkig is. Heel veel mensen hebben ideeën hoe dat zou moeten. Ze denken, als iedereen nou maar naar ons luistert en zich aan onze regels houdt, dan komt het goed met de wereld. Alle mensen hebben dat wel een beetje in zich, maar soms zijn er mensen die geweld gebruiken en die zeggen, als je nu niet luistert dan doe ik je wat aan. Dat heb je in het klein, maar ook in het groot. Jullie zullen op school bij geschiedenis wel geleerd hebben dat er ontdekkingsreizigers waren die wilden dat iedereen christelijk werd. En misschien dachten ze in de Tweede Wereldoorlog ook wel, dat als iedereen naar Duitsland zou luisteren, dat iedereen dan gelukkig zou worden. Eigenlijk hoort dat bij mensen en het is van alle tijden. Het zit, denk ik, in de aard van mensen, daar doe je niet zoveel aan. Het is alleen zo verschrikkelijk verdrietig dat mensen niet meer willen praten, ruzie maken, oorlog voeren en aanslagen plegen en dat er dan zoveel mensen dood gaan. Vaak wilden ze wel praten, maar luisterden ze niet of werd er niet geluisterd. Of er zijn mensen die zeggen: wat jullie doen is fout en daarom zijn jullie verkeerd, we begrijpen jullie niet en we willen jullie niet begrijpen, daarom praten we niet meer met jullie, jullie zoeken het maar uit, we willen niks meer met jullie te maken hebben. Dat loopt heel vaak verkeerd af en er kan zelfs oorlog van komen en dan is het al te laat. Ach, weet je, heel veel mensen hebben goede bedoelingen en denken het beter te weten dan anderen. Het is altijd goed om met elkaar te praten, naar elkaar te luisteren en te proberen elkaar te begrijpen, vriendelijk en aardig te blijven, al is dat soms best moeilijk, ook voor grote mensen. En daarnaast, soms is het ook helemaal niet erg om boos te worden, ruzie te maken, elkaar uit te schelden en te kwetsen. Dat kan ook heel erg de lucht klaren, zoals een onweersbui ook heel erg verfrissend kan zijn.

Het is even stil aan tafel en in die stilte denk ik, dat het ook beter kan zijn om te zwijgen, geen oordelen te hebben. Zijn wij niet allemaal mensen, hebben wij niet allemaal die duistere kant in ons, het vermogen om kwaad te doen, destructief te zijn, kapot te maken?

Dan zegt M. dat er kinderen in haar klas zitten die moslim zijn en dat die dit ook heel erg vinden en dat ze dat helemaal niet willen en dat het van de islam ook helemaal niet mag, andere mensen dood maken. Ik knik, mijn dochter van acht snapt het, waarom snapt een volwassen vent als Geert Wilders het dan niet?

Papa, kan dit ook in Nederland gebeuren? Ik zucht. Ja, ik ben bang dat het ook in Nederland kan gebeuren, maar er zijn heel veel papa's en mama's bij de politie en het leger die hun best doen om het te voorkomen. Bovendien is de kans heel erg klein, je kunt maar beter opletten voor al die gekken met een rijbewijs in het verkeer, die zijn veel gevaarlijker.

Ik zie een glimlach, het is tijd om naar school te gaan.

24.3.2016

Maar, misschien mis ik de piano wel, omdat zij zo goed kon luisteren en precies de juiste antwoorden gaf op de vragen die ik aan haar stelde.

8.2.2016

Maanden heb ik me erop voorbereid. Misschien zelfs wel jaren. Het was immers onvermijdelijk. Toch was ik iets vergeten. Of nee, ik was het niet vergeten, ik wist het wel, maar ik had het niet tot me door laten dringen, ik wilde me er niet druk over maken. Ik had vooral aan mijn kinderen gedacht en aan bijzaken zoals mijn boeken.

De piano.

Misschien ook niet de piano, dat is uiteindelijk maar een apparaat. Het was de muziek die ik erop kon maken en al deed ik dat maar weinig, het besef kwam ineens dat de mogelijkheid zou verdwijnen. Sinds mijn vijftiende of zestiende jaar heb ik altijd een piano om mij heen gehad. Ik speelde erop en niet alleen van blad, urenlang heb ik erop geïmproviseerd. In mijn studietijd componeerde ik zelfs aan de piano. Het was een stille en vertrouwde aanwezigheid geweest die ik soms tot klinken bracht. De laatste jaren studeerde ik bijna alleen nog maar op de Nocturnes van Chopin. Wanneer zou ik dat ooit weer kunnen doen? Die vraag drong zich vanochtend in alle hevigheid aan mij op en waar ik al die maanden bijna niet meer heb kunnen huilen, kwamen nu de tranen. Ik heb er nog even op gespeeld en daarna de klep dicht gedaan. 's Middags kwam de verhuiswagen. Voorlopig zal ik geen muziek kunnen maken en ik wist niet dat dat zoveel pijn kon doen.

24.1.2016

brieven aan A. (9)

Lieve A.,

Wanneer ik aan deze brief begin, hangt er buiten mist tussen de huizen. Het lijkt erop dat het voorlopig niet zal optrekken. Ik herinner me vakanties in de bergen, dat je dan zo hoog kon klimmen, dat je boven de wolken uitkwam. Soms brak de bewolking en kon ik door de opening de wereld eronder zien. Even waande ik me dan in een andere wereld, zoals het kind dat dacht dat God en de engelen op de wolken leefden.

Na al die jaren gaat het gebeuren, W. en ik gaan scheiden en apart wonen. Het was onvermijdelijk, maar we hebben het lang, zeer lang in een redelijk goede verstandhouding volgehouden. Gelukkig stond het welzijn van de kinderen bij ons allebei centraal. Waarom het niet gewerkt heeft? Er zijn wellicht vele redenen die ik verstandelijk kan begrijpen, maar gevoelsmatig begrijp ik er helemaal niets van. Misschien speelde een rol wat Alain De Botton in Proeven van liefde schreef, dat wanneer partners niet meer om elkaars verschillen kunnen lachen, irritatie de plaats van humor inneemt en de relatie uitholt. Wat zal ik zeggen, ik ben nooit aan dit huwelijk begonnen om het ooit te beëindigen. Ik heb verloren en gefaald, met die gevoelens zal ik in het reine moeten komen. Wat rest is berusting.

Over enige tijd zal ik dus alleen verder moeten. Jij weet als geen ander hoe dat is, je kent de voor- en nadelen ervan. Soms verlang ik ernaar, soms maakt het me triest. Ik had op de middelbare school al belangstelling voor solitair levende mensen, ik heb veel boeken gelezen van en over mensen die daarvoor kozen. Een psych heeft me wel eens een lone wolf genoemd. Mijn verlangen naar stilte is natuurlijk ook verbonden met alleen-zijn, al weet ik ondertussen, dat het ook met mijn persoonlijkheid te maken heeft. Stilte is voor mij als introvert belangrijk om bij te kunnen tanken, om tot rust te komen, om de storm in mijn hoofd de gelegenheid te geven te gaan liggen. Daarnaast vind ik in stilte de concentratie om te kunnen lezen en schrijven. Ik zou bijna kunnen zeggen dat stilte voor mij een levensvoorwaarde is. Ik heb vaak half ernstig, half spottend gezegd, dat wanneer ik weer alleen zou wonen ik eindelijk eens aan dat boek zou kunnen beginnen. Wie weet, het blijft natuurlijk de vraag of ik wel geschikt ben voor schrijven op de lange baan. Maar ik heb al zo lang die stem van dat boek in mijn hoofd, dat ik op z'n minst een poging moet wagen en dan maar zien waar dat toe leidt.

Enige tijd geleden suggereerde iemand dat het ook wel goed kan zijn om helemaal bij nul te beginnen. Ik begreep zijn goede bedoelingen, maar het is natuurlijk een illusie te denken dat een mens helemaal opnieuw kan beginnen. Nee, sommige koffers met ballast neem je nu eenmaal altijd mee. Je kunt ze in goed afgesloten vochtige kelders plaatsen en een vorm van amnesie suggereren. Maar je kunt je herinneringen ook aan tafel nodigen, in gesprek gaan en ontdekken dat er goed met ze te leven valt. Misschien dat er nog iets moois uit deze relatie met mezelf kan groeien.

Lieve A., je zult wel glimlachen om mijn woorden, jij die al zo lang in stilte en eenzaamheid leeft. Ik zou dat niet in die mate kunnen, uiteindelijk heb ik mensen om me heen nodig. Zoals ik altijd zeg: als ik alleen ben verlang ik naar mensen, als ik onder de mensen ben verlang ik naar alleen-zijn. Hoe hoog staat jouw huisje in de bergen? Kijk jij wel eens uit over de wolken? Er komt een moment dat ik samen met jou in de bergen wandel, maar eerst moet die mist in mijn hoofd oplossen. Tot die tijd schrijven we.

een mooi nieuw jaar toegewenst!
jwl

2.1.2016