Ik moest het opschrijven voordat de beelden en de woorden langzaam maar zeker oplosten in de werkelijkheid.

Scène. Ik keek haar diep in de ogen aan, ik herkende haar, ze was het echt. Toch klopte er iets niet, er klopte veel niet, maar ik moest dit moment vasthouden, het was belangrijk. Ik was zo dicht bij haar, ik moest het nu weten.

Waarom had ze trouwens met moeder gesproken en niet met mij? Wat was het dat ze aan mijn moeder verteld had? En waarom leek mijn moeder niet op mijn moeder?

Een deel van het raadsel werd voor mij duidelijk bij een andere scène, de scène op het station. Ik was haar stiekem achterna gegaan, maar ik zag haar niet meer. Toen een trein wegreed, stond zij precies aan de andere kant. We keken elkaar aan, ze kwam naar mij toe en omhelsde mij innig. Hierdoor wist ik, dat de film Beyond the hills die ik de afgelopen dagen had bekeken, zich met het verhaal vermengde. Zo was mijn moeder mijn moeder niet, absoluut niet, maar wellicht deels de moeder uit de film, die overigens niet letterlijk een moeder was, maar een moeder-overste.

Terug naar de scène. We zaten in een treincoupé tegenover elkaar. Ik was zo blij haar te zien, maar ik was ook boos. Daarom moest ik het weten, waarom had ze het aan iemand anders vertelt en waarom vertelde ze het niet zelf aan mij? Wat moest 'mijn moeder' mij morgen vertellen, vroeg ik haar. Ik vermoedde het antwoord, ik wist het antwoord, ze hoefde het alleen nog maar uit te spreken. Ik ga dood, Jan-Willem, ik ben ziek. Het overviel me niet, ik wist het al, want dat kon de enige reden zijn. Ze had het glimlachend gezegd alsof ze mij bij voorbaat wilde troosten. Een groot verdriet en wanhoop overviel mij, alsof ik in haar plaats verdrietig en wanhopig was. Waarom kwam ze me dit na tientallen jaren afwezigheid vertellen? Was het alleen maar omdat ze dacht en wist dat het belangrijk voor mij was?

Ineens voelde ik dat de trein al enige tijd stil stond en dat we snel moesten uitstappen. Ze liep van mij weg, maar ik volgde haar. Ik wilde en moest bij haar blijven, ik zou haar immers definitief verliezen. De afstand werd steeds groter. Ze ging een monumentaal gebouw binnen – een universiteit, een ziekenhuis? – na eerst een wachtwoord tegen een portier gezegd te hebben. Ik aarzelde, ik wist het wachtwoord niet, hoe moest ik binnen komen? Ik zag anderen gewoon naar binnen gaan, dus ik probeerde het ook. De portier vroeg me niets, alsof hij mij verwacht had.

Volgende scène. Ze ligt in een bed met een infuus, maar de omgeving lijkt niet op een ziekenhuis. Zijn we bij haar thuis? Weer kijken we elkaar aan. Wist je niet dat ik in T. zo verschrikkelijk verliefd op je was? Nog steeds die lieve glimlach. Was je toen verliefd op mij dan? Zou ze het werkelijk nooit geweten hebben? Ik heb nooit zo van iemand gehouden als van jou! Ze kijkt me blij aan, stapt uit bed en loopt om een muurtje naar een keuken en gaat afwassen. Ik word me bewust van de ruimte waarin ik ben, het lijkt op een filmset. Allerlei mensen lopen rond, jong en oud. Zijn het haar kinderen, is het familie, heb ik ze eerder ontmoet? Ze verbazen zich niet over mijn aanwezigheid, al lijken ze te willen zeggen dat het nu wel lang genoeg geduurd heeft. Ik moet gaan, maar ik wil niet, ik wil bij haar blijven, nu het nog kan, ik wil haar niet weer verliezen. Ik roep haar naam, ze kijkt niet om.

Omdraaien, verder slapen, ik wil terug, pijn in mijn rug, geen houding kunnen vinden. Ik ga op de rand van het bed zitten en zie dat het tijd is om op te staan. Ik moet het opschrijven voordat de beelden en de woorden langzaam maar zeker oplossen in de werkelijkheid. Niet te lang uitstellen, vandaag nog.

17.12.2017

Ga weg zei hij, ga weg, ik wil niet dat je meekijkt, dan kan ik het niet en anders speel ik nooit weer!

Zijn vader had hem noten leren spelen. Op een dag had hij het hem gevraagd, wil je me leren orgel spelen? Hij had altijd met enig ontzag geluisterd hoe zijn vader muziek maakte en tegen zijn moeder gezegd, dat hij dat ook wel wilde. Vraag aan papa of hij het je wil leren, had zij gezegd, en hij had het gevraagd. Zo leerde hij de muzieknoten lezen terwijl hij nog niet eens letters kon lezen.

Hoelang zijn vader hem les gegeven heeft, dat weet hij niet meer. Wel herinnert hij zich dat de lessen steeds vaker ontaardden in boosheid en ruzie. Papa had geen geduld en hoe meer hij geïrriteerd raakte, hoe meer fouten hij maakte. Op een dag wilde vader geen les meer geven en was hij zelf verder gegaan. Dat was de dag dat hij autodidact werd. Schijnbaar had hij voldoende basis om langzaam maar zeker de lesboeken door de nemen. Het ging vlot, hij leerde snel en was trots op wat hij zelf bereikte en iedereen mocht het weten, moest het horen. Kijk wat ik kan, knap hè?

Als er visite was, mocht hij wel eens voorspelen. Trots speelde hij wat hij kon en misschien ging hij wel eens wat te lang door. Maar soms stond zijn vader achter hem en begon hem te plagen als hij fouten maakte, dan kromp hij ineen. Hij werd zenuwachtig, nerveus en daardoor maakte hij steeds meer fouten. Zijn vader lachte, de visite lachte, althans, zo herinnert hij het zich. Natuurlijk lachten ze hem niet uit, dat begreep hij nu ook wel (al was hij daar niet zeker van), maar hij ervoer het wel zo. Hij kreeg wel complimenten, maar hij geloofde ze niet meer. Het maakte hem onzeker, zijn trots begon te verdwijnen en hij begon de lat steeds hoger te leggen: vanaf nu moest het altijd perfect. Hij wilde niet meer voor visite spelen, behalve als zijn vader niet meekeek, die moest dan de kamer uit. Op een avond had zijn vader gedaan alsof hij de kamer had verlaten, maar was hij stiekem in de woonkamer gebleven en verraste hem door plotseling weer achter hem op te duiken, kritiek te leveren, te lachen. Vanaf dat moment wilde hij niet meer voorspelen.

Hij noemde het één van de oerscènes uit zijn leven. Of het allemaal precies zo gebeurd was, dat wist hij niet, maar zo herinnerde hij het zich, er kwamen zelfs beelden boven. Andere pijnlijke herinneringen waren omgeven met waas. Plagerijen waarbij hij boos werd, waardoor ze alleen nog maar harder gingen lachen en als hij in tranen uitbarstte ook nog te horen kreeg dat jongens niet hoorden te huilen. Of die dag dat hij de woonkamer binnenkwam en zijn grote broer voorlas uit een schriftje waarin hij verhaaltjes schreef en iedereen moest lachen. Het was misschien niet kwaad bedoeld, maar hij schaamde zich diep en schreef niet meer. Daar is mijn eventuele schrijverschap in de knop geknakt, zei hij. Op de lagere school was hij een onzeker jongetje met rood haar die ook nog van moeilijke muziek hield. Je zult begrijpen dat ik nogal eens het slachtoffer van spot was, zei hij, en al trok ik me er zo min mogelijk van aan, nu begrijp ik dat het langzaam maar zeker en alles bijelkaar opgeteld, onbewust zijn verwoestende werking heeft gedaan. Ik heb de middelbare school met de hakken over de sloot nog afgemaakt, maar daarna is elke volgende opleiding een ramp geworden. Nou ja, hij had zijn typediploma en zijn rijbewijs nog gehaald.

Nog steeds, zei hij, nog steeds voel ik die blik over mijn schouder. Vooral als het een situatie betreft waarin ik moet presteren, als er druk op staat. Dan krijg ik plankenkoorts. Als ik schrijf mag niemand meelezen en niemand mag het lezen als ik erbij ben. Ik ga de kamer uit als ik het iemand laat lezen, ik vrees de reactie. Soms als ik door een straat loop in een stad, dan voel ik al die blikken die op mij gericht zijn uit al die huiskamers. Ze zijn er niet, toch voel ik ze. Maar het allerergste is, wanneer ik achter mijn laptop op zoek ben naar een baan en een brief moet schrijven. Dan begint mijn lichaam te trillen, moet ik bijna huilen, dan word ik weer helemaal die kleine jongen die uitgelachen wordt. Weet u, mijn vader, dat is de maatschappij geworden. O, ik zorg goed voor mezelf hoor, maar nu snapt u waarom ik liever alleen ben in mijn eigen huiskamer met al die boeken om me heen die me niet uitlachen, die niet oordelen, die geen kritiek hebben. Nu begrijpt u waarom ik liever in het bos wandel, tussen al die bomen die niet lachen en me niet op fouten wijzen. Daarom hecht ik ook zo aan die paar mensen die ik kan vertrouwen, die me trouw zijn, die hun oordeel over mij kunnen opschorten en die me werkelijk toelachen als ik iets doms gedaan heb. En mijn kinderen, mijn schatten, die heb ik bovenal lief.

Er viel een stilte tussen ons. Ik was onder de indruk van zijn verhaal, veel puzzelstukjes begonnen op hun plaats te vallen. Ik keek van hem weg en zag hem in de spiegel zitten, een man die best intelligent was, zoveel mogelijkheden, een prater overvol van gedachten, ergens wel charmant ook en tegelijkertijd onmachtig ineengekrompen, een man die alle successen in zijn leven bagatelliseerde tot er niets van over bleef. Nu moest ik hem de vraag stellen: wil je dat deel van jezelf aanpakken en beheersbaar maken of vind je het wel goed zo, zoals het gaat, want eigenlijk was hij best gelukkig als hij zich wist te onttrekken aan de wereld. In zekere zin zou ik hem moeten laten lijden.

Maar ik hoefde de vraag niet te stellen, hij keek me diep in de ogen aan en zei: ik wil blijven zoals ik ben, maar ik wil ook van die verlammende angst af. Kun jij me helpen, alsjeblieft? Zodat ik een goede vader word?

28.11.2017

brieven aan A. (10)

Lieve A.,

Die twinkel in je ogen, die zag ik ineens weer voor me toen ik in gedachten liep te mopperen. Ik had een andere afslag genomen op mijn wandeling om andere paden te verkennen en was gestuit op een omheining waarachter een groot terrein werd afgegraven. Waren de bomen daar omgehakt? Wat waren ze daar aan het doen? Ze gingen daar toch niet vakantiewoningen bouwen of één of andere economische activiteit? Gelukkig stond er een informatiebord. Ooit had een kleiduif­schietvereniging daar haar activiteiten gehad en nu werd de grond gesaneerd om alle achtergebleven loodhoudende kogeltjes te verwijderen. Uiteindelijk zou deze open plek weer heide worden. Sorry voor de overlast. Ja, jij zou om mijn aanvankelijke wantrouwen en gemopper gelachen hebben en al helemaal toen bleek dat ik me onnodig boos had gemaakt.

Dat oeverloze vertrouwen en optimisme van jou heb ik nooit kunnen delen. Niet dat ik een pessimist ben, dat weet je ook wel. Uiteindelijk heb ik een onredelijk vertrouwen dat alles weer goed komt (ook als het niet goed komt, voeg ik daar altijd aan toe). Nee, de wereld is hard en vol tegenslagen en dat tempert maar al te vaak mijn vertrouwen en optimisme. Toch wist jij in de tijd dat de we nog lange gesprekken voerden altijd weer de zon aan een wolkeloze hemel te laten schijnen. Toen deelden we nog een religieuze houding waar ons vertrouwen op gestoeld was. In al het leven zou een goddelijke vonk aanwezig zijn en als we dat nu maar zouden blijven zien, zou het allemaal goed komen. Ik vermoedde die vonk eveneens in levenloze dingen, want in alles kun je een vorm van schoonheid zien en dus moest in alles op de wereld zo'n vlammetje, hoe klein en onbeduidend ook, aanwezig zijn. Ik denk met weemoed terug aan die tijd, de tijd van fabelachtige zekerheden.

Nu weet ik dat onze zienswijze een vorm van pantheïsme was (of wellicht beter: panentheïsme). Onlangs vond ik het via een omweg weer terug, in het essay Nature van Ralph Waldo Emerson. Had ik zijn werk dertig jaar eerder maar gelezen! Toen wist ik al dat Nietzsche hem graag las en hem bleef lezen. Ik heb geen idee waarom ik het zo lang heb uitgesteld, maar je weet, ik ben er heilig van overtuigd dat boeken zich altijd op het juiste moment aandienen (sta me deze illusie dan tenminste toe!), dus het zal wel een reden hebben. Niet dat Emerson een pantheïst was, hij behoorde tot de beweging van het transcendentalisme. Bij hem niet zozeer een goddelijke vonk, maar hij ziet de natuur als een vingerwijzing naar een andere, spirituele wereld. Door de zichtbare wereld kunnen we die andere wereld ervaren.

In the woods, we return to reason and faith. There I feel that nothing can befall me in life, – no disgrace, no calamity, (leaving me my eyes,) which nature cannot repair. Standing on the bare ground, – my head bathed by the blithe air, and uplifted into infinite space, – all mean egotism vanishes. I become a transparent eye-ball; I am nothing; I see all; the currents of the Universal Being circulate through me; I am part or particle of God.

Ralph Waldo Emerson Essays and Lectures, 10

Je weet dat ik ondertussen niets meer van transcendentie of immanentie wil weten. De dood van God (en voor God mag je elke religieuze entiteit of ideologische basis invullen) heeft een leegte, een grote afwezigheid achtergelaten en als er al iets moet zijn dat de eenheid achter de verscheidenheid borgt, dan is het wel deze afwezigheid. De waarde van die leegte ligt in de ruimte die het creëert, ik heb dat geprobeerd in #1523 te verwoorden. Dat is de paradox waar ik op stuit en dat is misschien ook een antwoord op vragen die ik wel eens krijg naar mijn belangstelling voor religie terwijl ik een atheïst ben. Mensen vullen die leegte, die afwezigheid voortdurend op met allerlei prachtige religieuze, wereldbeschouwelijke, filosofische verhalen. Het is niet dat die leegte in plaats van godsdienst moet komen, het is een leegte de ruimte biedt om juist creatief te zijn en de meest fantastische zingevende verhalen de verzinnen. Het is een basis voor kunst. Het enige waar ik me daarbij tegen verzet is de verabsolutering van die verhalen en de veelal negatieve gevolgen daarvan. Ik ben geen godsdienst-basher, zo'n atheïst die elke opvliegende duif met zijn wetenschappelijke methode en argumenten probeert neer te knallen. Liever zie ik iemand die oprecht gelovig is of op z'n minst oprecht veinst dat hij gelovig is.

Terug naar Emerson, want eigenlijk gaat het me in deze brief niet eens zozeer om zijn theorie, maar om de wijze waarop hij schrijft. Ik herkende ogenblikkelijk vanaf de eerste bladzijde dat vertrouwen en optimisme, die twinkeling waar jij zo patent op hebt. De wijze waarop hij over de natuur kan schrijven, doet me denken aan die prachtige taal van de Engelse romantici waartoe jij me altijd probeerde te verleiden. Kijk ook eens naar alle foto's en portretten van Emerson, bijna altijd een glimlach en vriendelijke ogen.

Misschien was het voor hem gemakkelijker om de natuur zo'n grote waarde toe te dichten. Hij leefde in een Amerika zonder auto's, zonder vliegtuigen, zonder internet met zijn sociale media en nog nauwelijks industriële ontwikkeling. Ik stel me voor dat hij zo uit zijn huis een immens prachtige natuur kon inlopen. Het was ook op zijn landgoed dat Henry David Thoreau zijn hut bouwde en er zijn wandelingen maakte. Vergelijk dat eens met het bos waarin ik soms wandel, waar het nooit echt stil is, altijd hoor je er het gebrom van de economisch snelweg of het voorbijruisen van de treinen. Maar zelfs dan ervaar ik een stilte die ruimte tot gedachten biedt die meer zijn dan de som der delen, het sijpelt zo nu en dan door in mijn schrijfsels. Als dat voor mij geldt, dan zou dat helemaal voor Emerson kunnen gelden. Of voor Nietzsche die urenlang door de Zwitserse Alpen wandelde. Ik kan me voorstellen dat hij meer affiniteit voelde met Emerson dan met de donkere gedachten van Schopenhauer of met de grootheidswaanzin van Wagner.

Soms zou ik wensen dat ik even in de tijd terug kon reizen, naar de wereld van Ralph Waldo Emerson. Maar op een dag ga ik jou opzoeken, naar jouw plekje midden in de bergen en dan gaan we samen wandelen om onze gesprekken voort te zetten. Dan zal ik ongetwijfeld weer mopperen op de mensheid en dan zal ik je aankijken, die twinkel weer zien, het vertrouwen en optimisme weer voelen. Het komt allemaal weer goed, ook als het niet goed komt. Vooralsnog laaf ik mij aan de taal van Emerson.

Vaert wel ende levet scone,
jwl

24.11.2017

In zijn roman De opdracht werkt het. Een kortademige stijl vol herhalingen. Het duurde even, maar na bijna honderd bladzijden van het vuistdikke boek had ik de smaak te pakken. Toen zat ik als lezer vast in het hoofd van de verteller, een hoofd vol angsten, verwachtingen, euforie, voornemens, teleurstellingen. Wessel te Gussinklo roept een beklemmende sfeer op waarbij je langzaam maar zeker kopje onder gaat, zonder dat je maar iets aan het lot van de personages kunt veranderen. Een enkele keer wekt de hortende en stotende herhalingen ergernis op als Te Gussinklo te lang de spanning probeert op te bouwen, maar de stijl versterkt de inhoud en dat maakt het boek tot een bijzondere leeservaring.

In zijn essay Wij zullen aan God gelijk zijn werkt het niet. De kort­ademigheid van de roker en de drinker aan de toog die enthousiast met grote gebaren aan het vertellen is over veel te brede onderwerpen, schiet zijn doel voorbij. Zoals ik met vrienden wel eens de problematiek van de wereld en het leven doorneem, waarbij wij natuurlijk altijd achter ons glas wijn de juiste analyses en oplossingen weten. Te Gussinklo doet het niet voor minder. Ideologieën, religies en de hele geschiedenis komt langs. Ik zie hem verwoed typen, struikelend over zijn woorden, een niet te stuiten gedachtenstroom. Niet dat Wessel te Gussinklo geen interessante ideeën heeft, integendeel, zijn analyses van vergelijkbare partronen in opkomst, succes en neergang van ideologieën zijn zeker de moeite waard. Maar het boek had door het schrappen van de vele herhalingen, door het bekorten van de eindeloze zinnen met bijzinnen, gedachtenstreepjes, tussen haakjes en daarbinnen ook nog eens tussen haakjes, zeker de helft dunner kunnen zijn en ik vrees dat er dan een flinterdun verhaal was overgebleven. Helemaal ergerniswekkend is dat Te Gussinklo zelf signaleert dat hij herhaalt ('ik zeg het nog maar eens', 'zoals ik al eerder zei') en zelfs herhaalt dat hij zichzelf herhaalt. Te Gussinklo kan geen maat houden, is vol van zijn boodschap en dat maakt het essay tot een drammerig boek. Anderen zullen het wellicht bevlogenheid noemen. Ik betrap mezelf erop dat ik bij elke volgend hoofdstuk hoop op iets nieuws of op z'n minst de suggestie van ontwikkeling, maar ik krijg eigenlijk steeds hetzelfde met een andere garnering opgediend. Dat stelt teleur en dan verlang je naar het einde van het boek, want uitlezen zal ik het, dat dan weer wel.

16.11.2017

Nergens zal hij beweren dat de gedachte waar is. Nee, het is een typische vorm van filosoferen die je bij hem wel vaker aantreft: stel nu dat .... Misschien is het een absurd gedachtenexperiment, maar daar hield hij wel van, het had voor hem een therapeutische waarde. Hij was geen man van theoretische excercities waarbij eventuele antwoorden geen enkele invloed op zijn leven hadden.

De charme van zijn gedachte aan een eeuwige wederkeer van het gelijke zal voor hem ongetwijfeld gelegen hebben in het onchristelijke karakter ervan. Het gaat in tegen het laatste oordeel, ontkent een ultieme zin of doel in het leven, er is geen belofte van hemel of hel, geen einde van de geschiedenis. Nee, zijn gedachte hangt een ander gewicht aan onze handelingen, aan onze 'fouten' en 'gewoonten'.

De vraag is of de gedachte niet te zwaar is, het zou ook gemakkelijk tot de vraag kunnen leiden of we überhaupt nog willen leven. Het kan een machteloos gevoel oproepen wanneer men niet in staat is vorm of richting te geven aan het eigen leven. Zelfs wanneer het zou lukken om met een vriendelijk en mild egoïsme – laten we zeggen: een ethisch egoïsme – zo te leven dat een eeuwige herhaling van datzelfde leven draaglijk zou zijn, dan nog zou men een groot deel van zijn geleefde leven mee moeten slepen waarin dat streven ontbrak.

Je moet je lot liefhebben, had hij gezegd, alle voorspoed en tegenslagen omarmen, omdat het jouw leven is. Bovendien ging het hem er niet om dat je daadwerkelijk zou leven alsof het in alle eeuwigheid herhaalt zou worden, maar dat je de vraag eens zou stellen, dat je de gedachte eraan zou laten dansen in je hoofd. Voor hem was het toelaten van die gedachte aan een eeuwige wederkeer de grootst mogelijke acceptatie van het leven zelf.

Ik liet het dansen in mijn hoofd, een wilde pas de deux, maar hoe ondraaglijk licht de muziek ook klonk, mijn voeten kwamen niet van de grond.

8.11.2017

Hij hield van zijn werk, maar het werd hem soms zwaar te moede. Een enkele keer stond hij op om de wachtenden in de ruimte nog eens goed te bekijken. Het waren er honderden, allemaal met vragen, opmerkingen, verhalen die hij nog verwerken moest vandaag. Hij wilde iedereen de aandacht geven die hij of zij verdiende, maar het lukte hem niet meer om over iedereen een rapport te schrijven.

Het was vrijwilligerswerk en hij deed het graag, maar hij wist dat hij elk moment weggeroepen kon worden voor een betaalde klus. Eigenlijk wilde hij tussendoor ook nog een verslag schrijven om aan zijn collega's voor te leggen, maar het ontbrak hem aan moed.

Er stonden nu meerdere klanten aan zijn bureau die om beurten en door elkaar hun verhaal kwamen halen. Hij wilde geduldig luisteren, maar als ze doorelkaar gingen praten, moest hij een enkeling vragen om even te herhalen wat hij zojuist gezegd had.

Nee, het begon behoorlijk uit de hand te lopen. Vanochtend en aan het begin van de middag had hij nog tientallen de deur gewezen, maar ondertussen waren er alweer vele nieuwelingen binnen gekomen. Sommigen had hij eerder gezien en daar waren ze alweer, met een nieuw pak papier.

De ontevredenheid onder de wachtenden was groot. Ze begrepen niet waarom de één zolang moest wachten, terwijl een nieuweling soms direct aan de beurt was. Kafkaeske toestanden, had iemand tegen hem geroepen, totale willekeur! Denk je dat ik ooit nog aan de beurt kom?

Hij had hem niet gemogen, zijn stijl beviel hem niet, maar hij antwoordde in alle eerlijkheid: geen idee, beste vriend, ik weet ook niet hoeveel tijd ik nog heb. Is het nu het einde van de middag, het begin van de avond? Of is het al bijna middernacht?

31.10.2017

Soms loopt zij naast hem als hij wandelt. Dan zwijgen ze, ze kunnen goed naar elkaar luisteren. Vooral als hij wijst naar een boom die in zijn val is opgevangen door een andere boom. Of naar die enorme boom die met zijn wortels als een reusachtige knuist in de aarde grijpt.

Op het heideveld knipperen hun ogen in het licht van de zon die vlak boven de bomen tevoorschijn is gekomen. Er is zoveel morgenrood dat nog nooit geschenen heeft, heeft hij ergens gelezen. Zij weet dan al wat hij gaat zeggen. 'Kijk, daar is mijn vriend, de eenzame, gespleten boom...'. En zij zal aanvullen '... maar de takken dansen met elkaar'.

Ze lopen met dezelfde trage pas, ze kunnen elkaar goed bijhouden. Eénmaal staan ze stil en kijken omhoog. Tussen het klagende gekraak van de bomen hadden ze een ander, regelmatig geluid gehoord. Alsof een eekhoorn met een dennenappel zijn cursus morse aan het oefenen was. Maar ze zagen niets en liepen verder.

'Wat goed van jou, dat jij die zo verlangt naar horizon, de horizon kan vinden in het bos', zei zij. 'Overal drijven wolken aan de hemel' zei hij en dacht, 'mijn vader hield ook van het bos, mijn moeder niet.'

Aan het einde van de wandeling staan ze nog even bijelkaar. 'Dag', zegt ze en hij zegt ook 'dag'. Ze legt een hand op zijn schouder – dezelfde hand waarmee ze straks het ongeschreven boek zal openslaan –, draait zich om en loopt weg. Hij kijkt haar nog even na en gaat dan ook.

Meer verlangt hij niet.

29.10.2017

Er had wel wat meer orde in zijn boeken mogen zitten. Nu is het een speurtocht naar allerlei verbanden. Alsof elk genummerd fragment een systeemkaartje is en alle systeemkaartjes bij een ongeluk door elkaar op de grond gevallen zijn.

Hij zal antwoorden dat er geen systeem is, dat hij dat juist heeft willen voorkomen, om uit te sluiten dat iemand een leer uit zijn filosofie zou kunnen peuren. Alleen de suggestie dat er enige coherentie in zijn geschriften zit is genoeg. Hij wil de lezer uitnodigen zelf na te denken.

Als lezer voel ik een behoefte aan overzicht. Ik wil aan de hand genomen worden: kijk, nu beweer ik dit, dan beweer ik dat, om uiteindelijk tot deze conclusie te komen. Maar hij laat dat na, hij wil verwarren en ontmoedigen. Hij laat mij eindeloos wandelen zonder richting aan te geven, zodat ik verdwaal en voortdurend op mijn schreden moet terugkeren om de draad weer op te pakken. Het zoeken naar waarheid heeft meer waarde dan de waarheid zelf, zou hij zeggen.

Toch heb ik niet de indruk louter met chaos van doen te hebben. Ik voel de onweerstaanbare neiging om op zoek te gaan naar een verborgen systeem, maar dan stuit ik op allerlei vreemde tegenstellingen. Had hij bijvoorbeeld niet beweerd dat de vrije wil niet bestaat? Even later spoort hij de lezer aan om zichzelf vorm te geven! Misschien is dat één van zijn doelstellingen, de lezer verleiden tot het zoeken naar samenhang (die er zeker is), om hem vervolgens te laten ontdekken dat het daar niet om gaat, maar om het lezen en teruglezen en het denken erover.

Hij maakt op deze wijze een langzame lezer van mij. Soms vind ik dat gepuzzel ergerniswekkend en dan wil ik hem toeroepen: wees wat duidelijker, schrijf nou eens ordelijk op wat je wil vertellen! Maar dan lees ik een passage die mij doet glimlachen en vergeef ik hem alles weer.

28.10.2017

Ik herkende hem meteen, ging voor hem staan en keek hem eens recht in de ogen. Ik wilde in zijn neus knijpen en aan zijn baard trekken, ik wilde hém nu eens de waarheid zeggen. Maar ik aarzelde, ik had immers de verhalen allemaal uit de tweede hand. Al dat geouwehoer op marktpleinen, zijn gezagsgetrouwe pleidooi voor de rechter en al die onzin over ideeën en wedergeboorte, kon ik het hem wel aanrekenen?

Nee, het zijn de woorden van zijn leerling die ik de laatste tijd aan het lezen ben. Ik moest wel, vond ik, want eeuwenlang is impliciet en expliciet naar hem verwezen, dus werd het tijd om die boeken maar eens tot me te nemen. O, ik begrijp wel waarom die boeken zo bijzonder zijn, maar bij Zeus, zo verschrikkelijk saai!

Dus keek ik hem nog eens goed aan en vroeg wat er nu allemaal waar was van al dat schijnheilige getwijfel. En dat altijd iedereen maar instemde als hij naar hun mening vroeg. Waarom omringde hij zich voortdurend met laffe jaknikkers?

Hij zweeg en bleef stoïcijns in de verte kijken, alsof hij wist dat ik wist dat hij wist dat hij niets wist. Ik wilde nog zeggen dat hij helemaal niet stoïcijns kón kijken, dat hadden ze immers veel later uitgevonden! Toen las ik het papiertje naast hem: Socrates, Romeinse kopie. O vandaar, dacht ik nog, er is echt niks origineel aan die man!

18.10.2017

Wanneer ik in de vroege ochtend aan mijn bureau mijn ontbijt eet, zie ik hoe langzaam maar zeker aan de overkant het duister tussen de bomen van het bos plaats maakt voor licht. De ruimte tussen de bomen wordt zichtbaar, het loof glinstert in de ochtendzon, het bos nodigt mij uit.

Toch steek ik maar zelden de weg over, de weg waarover de wereld aan mij voorbijtrekt, van links naar rechts, van rechts naar links, de lopende mens, de fietsende mens, mensen in auto's, bussen en werkverkeer. 's Ochtends gaan ze naar hun werk of school, 's middags maken ze dezelfde reis de andere kant op.

Een enkele keer zie ik mijn zoontje voorbij fietsen naar school. Soms kijkt hij op, ziet mij zitten in het licht van de bureaulamp en dan zwaaien we naar elkaar.

Het raam als lens op de wereld? Nee, ik ben beslist geen fotograaf. Of het raam als een doorzichtige scheidingswand tussen daar en hier, buiten en binnen, waarbij ik me kan afvragen of ik nu voor of achter het raam zit?

Als in de loop van de ochtend de zon naar binnen schijnt en een teveel aan licht mij belet te lezen, dan draai ik de luxaflex zo dat het binnen weer donker genoeg wordt. Is de dag bewolkt, dan draai ik de luxaflex zo dat ik die lelijke, geparkeerde blikken vervoersmiddelen niet meer zie, maar nog slechts de boomtoppen en het wolkendek.

Onlangs werd ik vijftig jaar. Hoe is het om vijftig jaar te zijn? Kijk naar het gebladerte van de bomen, hoe het aan de buitenkant langzaam verkleurt naar herfst: het verval is begonnen, maar de kleuren zijn mooi!

Bomen vertellen ons wat kunst is. Als het waait tonen zij wat onzichtbaar is, laten zij horen wat onhoorbaar is. Kunst toont waarover niet gesproken kan worden en of kunst daarbij verwijst naar een aan- of afwezigheid, dat komt op hetzelfde neer. De eerste karakters van Het boek van de Tao zouden mijn poëtica kunnen zijn: De eeuwige Tao kan niet in woorden worden uitgedrukt. De eeuwige naam kan niet worden genoemd. Maar of ik daarmee iets gezegd heb?

Kom, wandel, laat ons verhalen vertellen, fluistert het bos.

Ik lees en schrijf nog steeds achter mijn bureau en wanneer het buiten duister wordt en ik mijn spiegelbeeld in het raam zie oplichten, dan voel ik weer die verbondenheid met vroeger tijden en moet ik onwillekeurig denken aan de woorden van Miriam Van hee: ik zie de nacht en mijn gezicht / wat binnen is en buiten / wordt verward. Sommige woorden vergezellen mij een leven lang.

13.10.2017

Mijn ogen kijken door de ogen van de ander en door de ogen van de ander lees ik mezelf.

Daar is een leeslint in mijn gedachten.

Er is een blik die me weerloos maakt, er is een paradox die ik niet kan oplossen.

Wie schrijft er?
Wordt er geschreven om de ander uit te wissen?
Wie leest de woorden die niet geschreven kunnen worden?

Was ik maar die ik ben gebleven, dichtte Faverey. Ik zou willen schrijven: was ik maar niet die ik ben gebleven, die mij wil wegdoen / zodra ik niet langer / meer spreek.

Mijn ogen spreken door de ogen van de ander en door de ogen van de ander spreek ik u toe:

Dacht ik het niet.

2.10.2017

Zij wilde samen wandelen. Ze namen de trein en stapten uit op een onbekend station. Ze vonden een pad om te wandelen. Was het zomer? Het moet op een doordeweekse dag geweest zijn, toch kwamen ze andere mensen tegen, zij wilden ook wandelen. Spraken ze of deden ze dartel en speels als een verliefd stelletje? Ze liepen zoveel mogelijk in een rechte lijn, dat wel, totdat ze bij een grote weg kwamen. Ze waren moe nu. Zij wilde linksaf, dan zouden ze het station vinden. Daarvoor moesten ze rechtsaf, wist hij. Iemand moest inbinden, het was een voorteken. Ze bereikten het station. Hij zei niet: zie je wel, maar zij, zij zou het gedacht hebben.

28.9.2017

Elke keer trap weer ik in die valkuil wanneer ik laat in de avond zit te lezen en mijn gedachten beginnen te dagdromen. Er dienen zich zinnen aan die een belofte voor een tekst doen vermoeden. Onthouden, denk ik dan, onthouden, morgenvroeg schrijf ik het op, nu wil ik verder lezen. Maar in de nacht heeft de gedachten­versnipperaar zijn werk gedaan en de volgende ochtend kan ik slechts flarden naar boven halen die zich niet meer tot een tekst laten smeden.

Soms voel ik een lichte paniek als het schrijven niet meer wil lukken. Dan draai ik mijn stoel weg van het bureau, weg van het verwijtende lege digitale papier. Ik leg mijn voeten op het bed onder het raam en kijk naar buiten, naar het licht dat op het groen van de bomen valt, naar het blikkeren van de geparkeerde auto's of naar de scholieren die luidkeels voorbij fietsen. De tijd dat ik dan een shaggie zou draaien en mezelf moed tot voortgaan zou inhaleren is voorbij.

Ik las in Wildcamera van Martin Reints en ik dacht: ik zou willen dat ik gedichten en beschouwingen zou kunnen schrijven zoals hij dat doet. De kunst om met schijnbaar eenvoudige zinnen lading te geven aan eenvoudige waarnemingen. Die kunst beschouwde ik ooit als een ideaal. Maar ik ben geen dichter, ik kan slechts hopen dat mijn ideaal zo nu en dan in het wit tussen mijn regels schemert.

Wat we zien
zien we door het licht dat erop valt

maar wat we zien
zien we door de schaduwen die het werpt.

Martin Reints Wildcamera, 86

PS. En zo denk ik toch nog een antwoord gevonden te hebben op vragen van een lezer wat me zo aanspreekt aan de Daodejing, wat het boek zo bijzonder maakt en waarom het me zo raakt. Daarom dus.

15.9.2017

Nee, het knuffelen van bomen is niet aan mij besteed. Ik begrijp niet wat mensen daarmee beogen wanneer zij hemels lachend een boom omarmen. Het bos geeft mij energie, heb ik wel eens iemand horen zeggen, bomen zijn zo geaard en reiken zo hoog naar de hemel, wanneer ik ze omhels straalt hun energie in mij over. Hij sprak met een opgestoken wijsvinger. Ik lachte goedmoedig en dacht aan Freud.

2.9.2017

wij komen voor het voetlicht, spelen en gaan weer
als de tijd verstrijkt, versnelt de metronoom

er zijn er die rollen vertolken, hun stemmen reiken
als zij open doekjes krijgen, knakken zij diep

luister, er is geen duister in de engelenbak

er zijn er die terzijde blijven, zij hebben koorden
als het doek valt, verschuiven zij ruimte

proef, opgewarmd worden beelden vloeibaar

anderen gaan niet op en af, zij vangen vallende stiltes
in gedachten bewaren zij vergeten

25.8.2017

Het was alsof hun zwijgen vertelde over de vele seizoenen die voorbij zijn gegaan. Voor sommigen tientallen jaren, anderen hebben de grote oorlog nog meegemaakt en er zijn er die zich de tijd zonder auto's en vliegtuigen nog herinneren. Maar werkelijk oud zijn zij die de tijd voor de industriële revolutie nog diep in zich dragen, de tijd zonder vervuiling, de tijd dat mensen in het bos nog zeldzaam waren. Terwijl ik aan ze voorbij ga bewonder ik hun geduld en hoe ze langzaam maar zeker, laagje voor laagje, zich uitstrekken in de ruimte, een langzaam ontwaken. Dan hoor ik ze kraken in de wind.

9.8.2017

Ik had het 's middags al aangekondigd, vanavond komt een programma op televisie waar papa graag naar kijkt. Zomergasten. Ze zuchten, maar als het zover is spelen ze, kijken ze zo nu en dan op, stellen vragen en kruip ik wat dichter naar de televisie zodat ik mevrouw Hertzberger wat beter kan volgen. Als het tijd is voor de kinderen om naar bed te gaan, tonen ze zich van hun zelfstandige kant, ik hoef alleen maar wat te sturen, te stimuleren, maar eigenlijk gaat het allemaal prima. Als de pyama's aan zijn, de tanden gepoetst en al die andere rituelen, staat M. aarzelend bij de deur en kijkt naar de televisie. Als ik vraag wat er aan de hand is, antwoordt hij: het gaat over bacteriën, dat vind ik eigenlijk best wel interessant. Ik antwoord dat het nu echt bedtijd is, maar dat ik het programma ook opneem, dus als hij wil kunnen we een andere keer een stukje terug kijken. Dat vindt hij prima. Als ik het gesprek op televisie even wat minder interessant vind, stop ik de kinderen in, nog even een knuffel en een kus. Dan kan papa in alle rust verder kijken naar twee vrouwen die een gesprek voeren op het dak van een in een bassin verzonken caravan.

6.8.2017

Elk boek waar ik in begin te lezen zal ik uitlezen, ook al vind ik het slecht, oninteressant of waardeloos, ook al moet ik er jaren over doen en staat het jaren genegeerd met een uitstekende boekenlegger in de kast. Voorbeelden: De gouden tak van Frazer (boekenlegger op bladzijde 328, nog ruim 500 te gaan) en A history of anarchism van Peter Marschall (geen boekenlegger, maar wel een aantal keren opnieuw begonnen, maar waarschijnlijk nooit verder gekomen dan bladzijde 100 van 665). Deze onhebbelijkheid maakt dat ik bij elke aankoop behoorlijk kritisch ben geworden, want ik koop boeken om te lezen en ik wil mezelf behoeden voor teveel boeken die een teleurstelling en een langjarig project worden. Het maakt dat ik steeds vaker en steeds beter een boekhandel zonder aankoop kan verlaten. Het behoedt me voor een faillissement.

Het vierde deel in de nieuwe reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur was zo'n boek, ik heb er bijna drie jaar over gedaan om het uit te krijgen. Waren de eerst twee delen geschreven door Frits van Oostrom ronduit fantastisch, was het derde deel van Herman Pleij al wat moeizamer, het vierde deel was nagenoeg niet om doorheen te komen. Niet dat ik iets wil afdoen aan de wetenschappelijkheid, de eruditie van het boek, integendeel, maar ik had voortdurend het gevoel dat ik door een zee van feitjes, namen, titels aan het zwemmen was, zonder dat er ook maar ergens vaste land te bekennen was. Het boek is indrukwekkend, maar verzuipt in het enthousiasme van de schrijvers die niets onvermeld willen laten, althans zo lijkt het. Soms moest ik denken aan die oom die op verjaardagspartijen maar niet uitgesproken raakt over zijn hobby postzegels verzamelen (ik noem maar iets), eindeloos van de hak op de tak springt en maar door gaat, zodat je uiteindelijk aan je buurvrouw vraagt of zij misschien ook nog iets wil drinken en als je dan een paar minuten later terugkomt met de drankjes, ontdekt dat die oom nog steeds aan het praten is, zonder dat hij gemerkt heeft dat je even weg was. Je mag die oom graag, maar een beetje compassie met jou als gespreksgenoot zou geen kwaad kunnen. Gelukkig waren er hoofdstukjes waarin ik op adem kon komen, waren er zelfs momenten dat ik opleefde, maar het waren, helaas, uitzonderingen. Het is jammer, want dit deel omvat juist de periode 1560-1700, de tijd van Vondel, Hooft, Cats om er maar een paar te noemen. De periode waarin de Republiek zelfstandig werd en een eigen karakter begon te vormen.

(...) de talloze en opvallend gelijklopende verhalen van buitenlanders, voor wie een reis naar Holland een soort exotische ervaring was. Uiteraard met de eensgezindheid van de toeristische clichés bewonderden deze reizigers – zonder blind te zijn voor een zekere lompheid in de omgang – de vrijheid van spreken, de pragmatische verdraagzaamheid, de handelsgeest, de netheid, de fraaie steden, de positie van de vrouw, de goed uitgebouwde communicatiesystemen, de ernstige omgang met de religie en het hoge niveau van de algemene ontwikkeling: onderwijs, techniek, wetenschap, schilderkunst. Volgens de recenste – indrukwekkende – interdisciplinaire studie waarin de Nederlandse cultuur van omstreeks 1650 tegen haar Europese achtergrond wordt beschouwd, lag het karakter van de Republiek uiteindelijk gevat in haar eendrachtige verscheidenheid en de speelruimte die zij bood aan andersdenkenden, haar zin voor overleg en discussie, voor gedogen, voor inspraak, uiteraard binnen soms acuut conflictueuze spanningen, want de verhoudingen waren lang niet altijd even harmonisch. Burgerzin, een hoog arbeidsethos, een gevoel voor uitverkiezing en verbondenheid, gehechtheid aan de lokale identiteit, en vooral een pragmatische omgang met verschillen maakten de kracht uit van de samenleving.

Karel Porteman & Mieke B. Smits-Veldt Een nieuw vaderland voor de muzen, 884-885

Misschien is er toch niet zoveel veranderd in de loop der eeuwen.

22.7.2017

er is geen weg (5)

dat alles treurig was
vergankelijk en prachtig

Miriam Van hee

Daar zaten zij, naast elkaar, elk op een stoel, naar elkaar toe gebogen, tegen elkaar aan. Er hing een tintelende stilte tussen hen. Ze sloeg een arm om hem heen. Hij wilde zeggen 'ik geloof dat ik verliefd op je ben', maar hij zei het niet. Hij wilde vragen 'hou je ook van mij?', maar hij vroeg het niet. In de stilte hoorde hij het antwoord, zij wist het, ze voelde zijn verwarring en zij aarzelde. Misschien wachtte zij op een teken van hem, een gebaar, maar wat hij ook voelde, hij kwam niet in beweging.

Hoelang ze daar zo gezeten hebben, zij met haar arm om hem heen, tegen elkaar aan, daar in die kerk waar het maanlicht door de ramen schemerde, hoe lang ze daar in die stilte gezeten hebben kan hij zich niet herinneren. Zij keek hem aan met een glimlach, bemoedigend, misschien wel troostend, verwachtingsvol op wat hij niet ging zeggen. Hij keek alleen maar naar de grond, voelde haar aanwezigheid, haar blik, haar lichaam en hoopte dat dit moment nooit voorbij zou gaan. Hij wilde haar zoenen, maar hij deed het niet. Hij wilde daar alleen maar zitten, tot in eeuwigheid, amen.

Toen hij voelde dat zij haar arm langzaam terugtrok, keek hij op. Ze wees, zullen we gaan? Hij knikte, het momentum was voorbij, ze liepen samen de kerk uit.

Nog vaak, bij een mooie gedachte in een gedicht, bij een passage of een enkele noot in de muziek of wanneer hij dromend uit het raam keek – zoals 's avonds in de trein vanuit zijn werk, kijkend naar het voorbijglijdende landschap – dan dacht hij nog vaak aan haar, dan wilde hij haar schrijven, dan wilde hij haar zien, maar dan was ze er niet en voelde hij zich somber.

Zoals het schuimende water achter een varend schip langzaam maar zeker weer tot rust komt in de onmetelijke zee, zo vervaagden zijn herinneringen. Maar toch kon hij haar aanwezigheid soms nog voelen alsof ze echt naast hem zat, terwijl hij wist, dat als hij zijn ogen zou openen, ze er niet zou zijn. Tijd kon je niet bevriezen, dat wist hij zolangzamerhand wel en als hij zijn ogen zou openen zou het ogenblik weer vloeibaar worden. Hij zou weer weten dat hij in een andere ruimte, in een andere tijd was en de beelden zouden verdwijnen in het zinderende stof in het binnenvallende zonlicht.

Zijn borrelende maag vertelde hem dat het tijd werd om op te staan en zijn weg te vervolgen, er moest gegeten worden. Ga je mee, zei hij in gedachten tegen haar, dan gaan we een bakkerij zoeken. Ze glimlachte als antwoord. Hij hees zijn rugzak over een schouder. In het gastenboek schreef hij: deze kerk verdient een andere deur. Buiten was de zon boven de daken geklommen.

20.7.2017

er is geen weg (4)

In het dorp waar hij opgegroeid was, stond de kerk op een terp. Hoog torende het gebouw boven de huizen uit. Wanneer hij naar de kleuterschool liep, nam hij vaak het uitgesleten paadje onder de hoge heg die de dodenakker afscheidde van de wereld der levenden. Tussen de takken en de bladeren door kon hij de grafstenen zien, een vreemde stille wereld tussen de aangeharkte paadjes. Het was een verboden wereld, als je er niets te zoeken had, hoorde je daar niet te zijn. Bovendien, de doden waren weliswaar dood, maar je wist maar nooit. Waarom zouden er anders zulke zware stenen op hun rustplaatsen gelegd zijn? Natuurlijk kwamen ze 's nachts als geest tevoorschijn en dan kon je maar beter veilig in bed liggen. Overdag was het kerkgebouw een baken in het weidse platteland. Als hij van de middelbare school naar huis fietste zag hij het al van verre liggen. Of als hij met zijn ouders op vakantie was geweest, dan was het zien van de kerk een teken dat ze bijna thuis waren. Misschien dat hij daarom naar kerken toegetrokken werd, ook al was hij atheïst, het gaf hem altijd een gevoel van thuiskomen.

De deur was hemelsblauw geverfd, een metalen deur met luchtroosters en een kastje waarin een papier met informatie over de kerk en de diensten was opgehangen. Een Romaanse kerk uit de elfde eeuw, elke zondag een mis om half tien. Deze deur kwam zeker niet uit de elfde eeuw en het contrast met het timpaan erboven kon niet groter zijn. Klein en omgeven door rozetten bevond zich daar een cirkel met vier vakken. In elk vak letters: LX DI VRA en ST. In het midden op het kruispunt van een horizontale en verticale lijn stond de letter E. Lang geleden was hij eerder zo'n middeleeeuwse rebus tegengekomen en hij wist nu dat je de E moest toevoegen aan de overige letters om er woorden van te maken: LEX DEI VERA EST, hetgeen zoiets betekende als 'Gods wet is waarheid'.

Voorzichtig probeerde hij of de deur niet op slot zat. Voorzichtig, want het was uiteindelijk het huis van God dat hij ging betreden, als ongelovige nog wel! De deur gaf mee, hij kreeg toestemming.

Wat hield hij toch van deze sobere oude kerken, hij ademde eens diep in. De wanden waren egaal van kleur, alleen de spitsbogen waren niet gestuukt waardoor de ruimte ritme kreeg. Een houten preekstoel hing links aan de muur, een paar fresco's waren waarschijnlijk bij de laatste restauratie tevoorschijn gekomen. Achter enkele traptreden bevond zich het koor met het altaar, alles even eenvoudig. Er was niemand. Er daalde een eeuwenoude rust over hem heen. Het voelde weldadig, maar anderzijds werd hij ook onrustig van die ongewilde religieuze gevoelens. Eigenlijk wilde hij de kerk meteen verlaten, maar eerst wilde hij de schoonheid van deze ruimte goed in zich opnemen. Hij liet de rugzak van zijn schouders glijden, ging op een klapstoeltje zitten en keek rond. Hij voelde hoe moe hij was, had hij maar niet zo vroeg op moeten staan. Toen hij zijn ogen sloot om de stilte beter te kunnen proeven, wist hij dat zij er was.

19.7.2017

Als ambassadeur van de alleenzaamheid mag ik natuurlijk niet klagen. Niet dat iemand dat tegen mij zegt, ik zeg het vooral tegen mezelf. Wie zou het ook anders moeten zeggen? Maar toen de kinderen met hun moeder en vriendin B. gisteren op vakantie gingen – S. was gisteravond al vertrokken, eveneens op vakantie, weer naar Taizé nota bene – overviel me een intens gevoel van eenzaamheid.

De maanden in de zomer zijn moeilijk, iedereen gaat maar op vakantie en deelt zijn avonturen op sociale media. Ik kan me mijn laatste vakantie niet meer herinneren. O, ik kan genieten van het plezier van anderen, begrijp me niet verkeerd, ik gun iedereen zijn mooie vrijheid in de zomer. Soms mis ik het zelf zo, het is de confrontatie die me aangrijpt.

Ik bewonder mensen die alleen op vakantie gaan, dat zij dat kunnen, maar voor mij is dat – nog afgezien van de financieën – een (te) grote drempel. Is het angst? Is het een gebrek aan vertrouwen in mezelf? Is het zien van gelukkige stellen en gezinnen die samen op vakantie zijn nog te moeilijk voor mij? Ik weet maar al te goed dat ik het geluk van anderen niet moet idealiseren.

Ik herinner me nog de week alleen in Bayreuth, ik liep vaak met mijn ziel onder de arm en was zelfs blij om mijn ouders weer te zien na een aantal dagen. Wat ik vooral miste was een maatje met ik wie mijn indrukken, mijn enthousiasme en mijn teleurstellingen kon delen. Ook in die zin ben ik te weinig een schrijver, ik kan heel veel opschrijven, maar alles alleen maar toevertrouwen aan het papier is uiteindelijk toch onbevredigend.

Natuurlijk zijn er mensen die vinden dat het allemaal mijn eigen schuld is. Had ik maar beter mijn best moeten doen, had ik maar andere keuzes moeten maken. En ja, ze hebben gelijk, dus ik mag niet zeuren. Eigen schuld, dikke bult. Voor deze schuld komt geen deurwaarder langs, deze schuld moet je aan jezelf aflossen. Zo gaat dat in een samenleving waar je je eigen dromen moet najagen en waarbij je vooral jezelf moet zijn. Ik vind het moeilijk om 'mij' te zijn.

Ik sta het mezelf toe, die brok in mijn keel als ik mijn kinderen uitzwaai, ze een goede reis en veel plezier toewens. Ik wil ook weer eens op vakantie, met z'n allen.

Ik weet uit ervaring dat de eerste vierentwintig uur het ergste zijn, dat niets me kan troosten, geen boek, geen muziek, geen wandeling, niets. Schrijven leidt me af, maar neemt de gevoelens niet weg. Gevoelens die een eigenaardige combinatie lijken van verliefd-zijn en eenzaamheid. Dezelfde gevoelens die ik lang geleden in Bosch en Duin had na een bezoek aan H. Een leegte die groter is dan het gat in het beeld van Ossip Zadkine.

Het is een kwestie van tijd, lieve lezer, de normale proporties keren weer terug. Ik vind mijn weg wel weer, dat heb ik altijd gedaan, daar vertrouw ik op.

11.7.2017

Ineens hoorde ik achter mij een tak breken, in een reflex draaide ik me om. Het kraken ging over in ruisen van bladeren, het neerkomen op de grond klonk als een zucht. Het viel naast het pad en gelukkig maar, want anders zou ik er onwillekeurig één of andere misplaatste symboliek in zien. Toch was het alsof het bos me een antwoord gaf op een ongestelde vraag.

Ik moet altijd aan hem denken als ik een wandeling maak, het is alsof hij met mij meeloopt. Eén gedachte komt altijd ter sprake, de gedachte dat mensen zo graag in de natuur zijn omdat de natuur geen oordeel over hem heeft. Mensen oordelen voortdurend, daar is geen ontkomen aan. Mensen wíllen ook oordelen en vooral beoordeeld worden. Ze zijn altijd bezig met de rol die ze spelen, met de indruk die ze al of niet maken. Of ze wel de juiste kleding dragen, in de juiste auto rijden, de juiste boeken lezen, de juiste opvattingen hebben. Het is dodelijk vermoeiend, maar er is weinig aan te doen, het is inherent aan ons bewustzijn en onze taal.

Het groepje mensen valt op door de felle kleuren van hun sportkleding. Ik zie ze in de verte staan, zwaaiend met hun armen, lachend, druk, luidruchtig, waarschijnlijk bezig met een warming up, voordat ze rennend als een sociale roedel aan hun conditie gaan werken. Het doet me stilstaan en ik denk aan de tegenstelling mens en natuur, ook wel omschreven als tegenstelling cultuur en natuur. Waar in de natuur alles zijn vanzelfsprekende gang gaat, daar lijkt de mensenwereld zo verschrikkelijk kunstmatig en gekunsteld. De noten van Bach, de teksten van Nietzsche, de films van Tarkovski, de schilderijen van Hammershøi, hoe mooi ik het allemaal ook vind, uiteindelijk is het allemaal bedacht, geconstrueerd, kunstmatig en gekunsteld. Een vogel fluit als het fluit, een boom ruist als het waait, een kikker springt, de mieren krioelen omdat het hun aard is.

De mens is ook een dier, een dier dat zijn hersens ontwikkelde, bewustzijn kreeg, talig werd en zeer succesvol was in overleven, zozeer zelfs dat het nu als parasiet op de aarde leeft. Zou het mogelijk zijn dat de mens als diersoort een groot uitsterven wacht omdat het natuurlijk evenwicht hersteld gaat worden? Is de mens in de evolutie slechts een kleine zijsprong, een dramatische aberatie en anomalie die zichzelf weer corrigeert door eenvoudigweg te verdwijnen? Welk levend wezen zal dan straks nog weet hebben van die kortstondige geologische periode die wel het antropoceen wordt genoemd? De mens als mislukt experiment, dat bevalt me wel. Wir haben ihn getödtet, – ihr und ich!, een vrolijke wetenschap.

Ik vervolg het pad over de open ruimte, een heideveld in het bos. Aan het einde staat een jonge boom los van de andere bomen. Het heeft nog niet de hoogte bereikt van de omringende naaldbomen, maar het ziet er fris en gezond uit na de regen van de afgelopen dagen. Stil en krachtig staat het daar, klaar om de stormen van de tijd te doorstaan. Het heeft geen idee.

26.6.2017

Veel over jezelf praten kan ook een manier zijn om je te verbergen.
Friedrich Nietzsche Voorbij goed en kwaad §169

Gezonde spanning noemt men dat. Spanning die scherp maakt, die zorgt dat je helder gaat denken. Vooral als je iets wilt bereiken, bijvoorbeeld bij een sollicitatiegesprek of een sportwedstrijd. Daartegenover staat natuurlijk ongezonde spanning. Spanning die je de adem beneemt, spanning die belemmerd, die je laat struikelen over je woorden, die een waas voor je ogen tovert.

Ongezonde spanning kan ook optreden zonder duidelijke oorzaak. Je hebt die spanning maar je weet eigenlijk niet waarom. Het maakt je klein, somber en moedeloos. Ik vergelijk het met hoogtevrees: je weet dat het irreëel is, je weet niet goed waar het vandaan komt, wellicht is het aangeleerd gedrag of heb je ooit een ingrijpende, negatieve ervaring met hoogte gehad. Maar hoezeer je ook voor jezelf kunt beredeneren dat je geen angst hoeft te hebben, je hebt die angst toch, je hele lichaam is in een alarmfase en is in opperste staat van paraatheid, code rood!

Levensvrees: een irreële en vooral ongewilde vrees om je in het dagelijkse leven te begeven. Je voelt spanning, maar je weet niet waarom. Je bent eindeloos met jezelf in gesprek om jezelf te overtuigen dat het onzin is. Je hebt jezelf zo vaak een trap onder de kont gegeven, dat het er beurs van is. Het is dodelijk vermoeiend en je begrijpt er niets van. Je dwingt jezelf onder de mensen te komen, je gaat naar de winkel, bezoekt een verjaardagsfeest, schaakt desnoods een toernooi waarbij je je uiterste best doet te doen alsof er niets aan de hand is, alsof je blaakt van de energie. Je bent vriendelijk en je probeert een positieve uitstraling te hebben, je mengt je in gesprekken en je vindt het zelfs prettig, maar het is een gevecht, een hopeloos gevecht met soms een pyrrusoverwinning. Want alhoewel je je elke dag weer oppept voor je dierbaarsten, voel je een vermoeidheid die je neerslaat. Het liefste wil je je verstoppen in bed, maar dat heb je jezelf verboden. Als de telefoon gaat knijpt je keel al dicht. Je voelt je schuldig, maar je weet niet wat je jezelf ten laste moet leggen. Ergo: waar K. nog de energie en moed had om te proberen te achterhalen waarvan hij beschuldigd werd, weet jij dat het geen enkele zin heeft. Soms – gelukkig niet elke dag – ben je alleen nog maar bezig met mentaal overleven. Tegelijkertijd verzet je je tegen de gedachten dat alles wat je doet toch alleen maar stuit op de kritische blik en de gedachten van anderen en dat het allemaal geen enkele zin heeft. Mensen zeggen aardige woorden tegen je en je wilt ze wel geloven, maar ergens zeurt en knaagt het ongeloof. Je bent niks, je kunt niks en het zal nooit wat worden. Toch wil je nog van alles, vind je het leven mooi en boeiend, sta je ondanks alles toch nog postief in het leven. Niet je humor verliezen, niet toegeven aan het ondermijnende gevoel volstrekt te falen. Je moet altijd weer opnieuw beginnen, doorgaan, hoe intens vermoeiend ook. Immers, ook Sisyphus houdt nog steeds vol. Denk aan de woorden van Beckett: Ever tried. Ever failed. No matter. Try Again. Fail again. Fail better. Maar de vrees wijkt niet, het dient zich keer op keer aan, net als je denkt weer een beetje bijgekomen te zijn. Soms trilt je lichaam ervan, schieten je ogen vol en voel je louter wanhoop. Het enige wat je nog wil is rust en stilte. Muziek is te emotioneel, lezen lukt soms nog, maar bij het schrijven willen de woorden niet komen.

En dan, op een dag, overwin je jezelf en schrijf je het op.

16.6.2017

Bijna niemand verlangt meer dat we moeten geloven in een god. Des te meer schijnen we in onszelf te moeten geloven. Daarbij schijnt iedereen te weten wat dat is, je 'zelf', terwijl het uiteindelijk net zo onbekend of onzeker is als het bestaan van een god.

Maar waar moeten we dan, o grote wijze jwl, in geloven?
In elkaar. Of is dat te klef?

Wat ons zou kunnen verbinden (man, bouw toch niet altijd onzekerheid in, schrijf: wat ons kan verbinden), wat de Grote Kloof (moet dat nou, die ironie?) zou kunnen overbruggen – de kloof tussen arm en rijk, links en rechts, laag of hoog opgeleid (oei, had hij daar bijna geschreven: domheid en intelligentie), oost en west, noord en zuid en ga zo maar door – is het simpele feit dat we uiteindelijk allemaal hopen uit wanhoop (welja, maak het maar weer dramatisch). Als we dat nu in gedachten houden, dan wordt de mensheid een stuk grappiger, dan kunnen we om elkaar lachen (nou, ik lig dubbel hoor, ik kan echt niet lachen om IS).

2.6.2017

Nee, kijk, het is de vraag of ik ooit een manuscript zou voltooien. Mocht dat onverhoopt gebeuren, dan weet ik nog niet of ik het goed genoeg zou vinden om het op te sturen naar een uitgever, nog afgezien van de vraag of ik dat zou durven. Als een uitgever het manuscript zou willen uitgeven, dan zou hij mijn spot en hoongelach moeten doorstaan en ik zou hem vertellen dat hij wel een hele slechte uitgever moet zijn, een sukkel, dat hij mijn prutswerk zou willen uitgeven. Als hij vasthoudend is, dan zou ik eisen dat mijn naam niet verbonden mag zijn aan het boek, misschien hooguit mijn initialen of een pseudoniem. Geen foto op de omslag of andere nutteloze informatie over mijn persoon, geen verwijzing naar mijn website of sociale media. Op een eventuele presentatie van het boek zal ik niet aanwezig zijn. Ik zal geen interviews geven, niet spreken op de radio of verschijnen op andere media, ook niet bij het programma Boeken van de VPRO. Roem en faam kunnen aan mijn reet roesten. Hooguit een aantal intimi zullen ervan weten, maar ik zal ze vragen om absolute geheimhouding. Dus de kans dat er ooit een boek van mij zal verschijnen is absoluut nul en mocht er een wonder gebeuren, dan zal niemand weten dat het van mij is, ik zou mijn eigen boek kunnen kopen zonder dat de verkoper weet dat hij het aan de schrijver verkoopt. Waarom? Omdat ik anders überhaupt geen letter op papier zou krijgen.

1.6.2017

We doen ontzettend ons best, mevrouw Zimmermann en ik, maar het wil nog niet lukken om goed naar elkaar te luisteren. Toch doen we het voor een blind date niet slecht, we moeten elkaar alleen nog wat beter leren kennen. Soms spreekt ze op hoge toon wanneer ik gehoopt had op wat zachtmoedigheid, soms zwijgt zij wanneer ik wenste dat ze mij liefdevol toe zou spreken. In het begin kon ze ronduit vals reageren wanneer ik haar betastte en dan kon ik haar weer dagen negeren. Maar ondertussen is het allemaal wat bijgetrokken, ik ben behoedzamer geworden en mevrouw Zimmermann toont wat vaker haar gewillige en milde kant. Ik moet haar nog leren van Bach te houden, dat is nog een hele klus. Maar ik sluit niet uit dat ook bij mevrouw Zimmerman zich een dag aandient, dat zij precies de goede antwoorden geeft op de vragen die ik haar stel.

30.5.2017

We deelden belangstelling voor muziek, literatuur en filosofie, we konden er eindeloos over spreken. Trots vertelde hij over zijn bibliotheek, hij was een verwoed verzamelaar, liep veilingen af, liet boeken opnieuw inbinden. Zover ging mijn liefde voor het boek niet, ik ben geen bibliofiel, alhoewel ook ik met een zekere trots naar mijn verzameling kan kijken. Maar ondanks onze gemeenschappelijke belangstelling, begon er toch iets te wringen, er trad een asymmetrie op in onze gesprekken. Waar hij in zijn lezen voortdurend zocht naar bevestiging, naar autoriteit om zijn opvattingen vorm te geven en kracht bij te zetten ('zoals Plato al zei...'), daar zocht ik voortdurend de aarzeling, de twijfel, de omtrekkende beweging ('zoals Nietzsche al zei...'). Waar hij star was in zijn opvattingen, daar was ik star in mijn twijfel. Zo konden twee liefhebbers van boeken en lezen uit elkaar gaan, elkaar beschuldigend van arrogantie. Ik moet er nog vaak aan terug denken en ik heb ervan geleerd. Achter twijfel kan een angst schuilen, de angst iets te vinden, standpunten in te nemen, omdat het je kwetsbaar kan maken. En wellicht is dat dezelfde kwetsbaarheid van de bibliofiel die zich verschanst achter muren van boeken met Grote Namen en zich beschermd denkt te weten door hun Autoriteit.

30.5.2017

Er staat al lange tijd een boek van deze schrijver in mijn kast te rijpen. Aangekocht deels om de faam die de boeken van deze schrijver geniet, deels omdat ik weet dat Nietzsche deze boeken graag las. Stendhal was één van Nietzsches favoriete schrijvers, misschien werd door hem alleen Dostojevski nog meer gewaardeerd. In Voorbij goed en kwaad §39 noemt hij Stendhal deze laatste grote psycholoog hetgeen nu opmerkelijk genoemd mag worden daar in de geschiedenis van de literatuur Stendhal vaak de eerste psycholoog genoemd wordt. Nietzsche gebruikte Stendhal om te ageren tegen de toenmalige Duitse smaak en stijl, waardeerde het vrije denken van Stendhal en wellicht ook de schoonheid van zijn stijl. Ongetwijfeld zal ook meegespeeld hebben dat Nietzsche met deze Franse schrijver de Duitse componist Wagner, maar vooral de wagnerianen, wist te tergen (Wagner zelf zal het allemaal niet meegekregen hebben, hij las de boeken van Nietzsche niet meer en stierf in 1883 toen de meeste boeken van Nietzsche nog geschreven moesten worden). Niet alleen de Franse nationaliteit, ook het atheïsme zal de volgelingen van de componist van het Bühnenweihfestspiel Parsifal hebben gestoord. Maar de aardigste passage over Stendhal staat toch wel in Ecce homo in §3 van het hoofdstukje Waarom ik zo knap ben: Misschien ben ik zelfs wel jaloers op Stendhal? Hij heeft me de beste atheïstengrap afhandig gemaakt, die juist ik had kunnen maken: 'het enige excuus voor God is dat hij niet meer bestaat'... Ik zelf heb ergens gezegd: wat was tot nu toe het grootste bezwaar tegen het bestaan? God....

Toch vermoed ik dat het bovenstaande niet de kern raakt van Nietzsches bewondering voor Stendhal. Toen ik een (tamelijk gezwollen) passage las in het boek Massa en macht van Elias Canetti begon ik het te begrijpen. Stendhal was waarschijnlijk in de ogen van Nietzsche een voorloper, een voorloper van een type mens met een freie Geist.

Een man [Stendhal] met een grotere afkeer van de gangbare geloofsopvattingen is moeilijk te vinden. Hij is volkomen los van alle bindingen en beloften van welke godsdienst ook. Zijn gevoelens en gedachten zijn uitsluitend gericht op dit leven hier. Hij heeft het op de meest zorgvuldige en diepgaande manier beleefd en genoten. Hij heeft zich op alle terreinen bewogen die hem vreugde konden bezorgen, en hij is toch niet oppervlakkig geworden, omdat hij zich niet met geïsoleerde feiten bezighield. Hij heeft niets tot twijfelachtige eenheden samengevat. Zijn wantrouwen gold alles wat hij niet in staat was te ondergaan. Hij heeft veel gedacht, maar er is geen enkele steriele gedachte bij hem. Alles wat hij noteert, alles wat hij uitbeeldt blijft verbonden met het zinderende ogenblik van zijn oorsprong. Hij heeft zich voor veel geïnteresseerd en aan van alles en nog wat geloofd, maar het bleef alles op een bewonderenswaardige manier grijpbaar. Wat het ook was, hij kon het direct in zichzelf vinden zonder dat hij de kunstgrepen van de een of andere ordening nodig had.

Deze man, die niets klakkeloos aannam, die alles zelf wilde ondervinden, die het leven zelf was in zoverre dit gevoel en geest is, die zich in het hart van elke gebeurtenis bevond en daarom ook bevoegd was deze van buitenaf te bekijken, bij wie woord en inhoud elkaar op de natuurlijkste wijze dekken, alsof hij op eigen houtje tot taalzuivering was overgegaan, deze zeldzame en waarachtig vrije man had toch een geloof, waarover hij zo gemakkelijk en vanzelfsprekend sprak als over een geliefde.

Hij beperkte zich er zonder zelfbeklag toe voor weinig mensen te schrijven, maar hij was er volkomen zeker van dat over honderd jaar zeer velen hem zouden lezen. Duidelijker en scherper omlijnd – en dat zonder enige aanmatiging – is het geloof aan literaire onsterfelijkheid in moderne tijden niet uit te drukken.

Elias Canetti Massa en macht, 368-369

Het is vandaag Hemelvaartsdag, misschien ga ik dat boek van Stendhal maar eens ontkurken.

25.5.2017

er is geen weg (3)

De weg was smal, auto's zouden elkaar nauwelijks kunnen passeren. Er waren witte lijnen aangebracht om aan te geven waar de fietsers rechts konden houden. Aan de rand brokkelde het asfalt af en de berm liep enigszins schuin naar beneden, zodat hij tegen zijn zin op het harde asfalt moest lopen. Hier en daar een boom met bloesem of een verdorde struik langs de weg, soms een muurtje van gestapelde stenen die het bezit van een stuk land markeerde. Elektriciteitskabels waren hoog langs de weg gespannen tussen betonnen palen, de lampen in de top brandden niet meer. Zolang hij deze draden zou volgen, zou hij wel in de bewoonde wereld blijven. Hij passeerde lanen naar links of rechts, naar woningen waar nog geen leven te ontdekken viel, metalen luiken waren neergelaten voor de ramen.

De eerste kilometers was hij zich altijd bewust van de omgeving, zag hij de details van de weg, het afval in de berm en vroeg hij zich af waarom hij hier liep, waarom? Hij wist dat het maar tijdelijk was, op een gegeven moment zouden zijn gedachten het overnemen van zijn ogen, zou hij in gesprek raken met zichzelf en zou hij niet meer de vraag stellen naar het waarom. Dan vertraagde zijn pas en merkte hij niet eens meer op dat langzaam maar zeker het landschap ontwaakte in het ochtendlicht.

In het volgende dorpje was geen bakker of kruidenier te bekennen, waarschijnlijk niet rendabel met zo weinig inwoners. Vaak vroeg hij zich in dit soort dorpjes af waar iedereen toch was, er moesten toch mensen wonen, er waren immers huizen, maar hij kwam zelden iemand tegen. De huizen oogden zonder uitzondering oud en vervallen. Ook hier gesloten luiken, alleen een enkele geparkeerde auto of een op de grond gesmeten fiets deed vermoeden dat nog niet alle mensen weggetrokken waren. Hij hield van deze verlatenheid.

Om een hoek werd hij getroffen door de aanblik van een kerk, waarvan de gele stenen oplichten in het zonlicht. Het was van ouderdom weggezakt in de aarde tussen de graven die als een slotgracht om het gebouw lagen. Steunberen probeerden het nog manmoedig overeind te houden. Hij bleef staan om met zichzelf te overleggen. Zijn rammelende maag vroeg om eten, maar deze kerk trok hem aan. De lage vierkante toren met een piramidevormig dak en een enorme, ijzeren kruis op de punt kwam hem bekend voor, waardoor hij het gevoel kreeg hier eerder geweest te zijn. Toch was de naam van het dorpje hem niet bekend voorgekomen, al was hij de naam alweer vergeten, zo bewust had hij het niet opgemerkt. Nog voordat hij een beslissing genomen had, wisten zijn benen en voeten het al en namen de weg naar beneden, de weg die naar de ingang moest leiden.

29.4.2017

Alberto Manguel herlas een jaar lang elke maand een boek dat ooit zeer veel indruk op hem gemaakt had. Het resultaat was een nieuw boek, Dagboek van een lezer. Ik heb met de gedachte gespeeld iets vergelijkbaars te doen, maar het is er nooit van gekomen, teveel boeken die nog een eerste maal gelezen moeten worden. Toch laat het idee me niet los, boeken herlezen en mezelf afvragen wat er ooit in een ver verleden toch zo'n indruk op mij gemaakt heeft. Ik ben nu dertig jaar verder, ik heb vele leeskilometers achter de rug en in combinatie met wat levenservaringen, kan het niet anders dat het herlezen van een boek, het lezen van een nieuw boek is.

Een boek dat voor een dergelijk project in aanmerking zou komen is Doktor Faustus van Thomas Mann, ik nam het onlangs uit de kast. Ik las de datum van aankoop dat ik ooit op het schutblad onder mijn naam geschreven had: ma. 28 april 1986. De datum trof mij, het was de tijd van de eindexamens, een tijd van spanning en stress. Maar het was ook de tijd dat ik H. nog niet had leren kennen, het laatste half jaar voor mijn studie en verhuizing naar Bosch en Duin. De tijd van gecultiveerde romantische weemoedweefsels, van zweterige duistere romantiek en het verlangen naar een prinses op het zwarte paard, van zwijmelen en heimelijk adoreren in de sfeerverlichting van mijn tienerkamer. Ik was dat jaar mijn dagboek opnieuw begonnen (eerdere versies heb ik vernietigd) en ik lees erin dat Doktor Faustus niet meteen aansloeg, ik vond het saai en vroeg me af of het boek niet te moeilijk voor me was. Alleen de laatste hoofdstukken maakten mij uiteindelijk enthousiast. Twee jaar later herlas ik het boek en uit die tijd moet de herinnering stammen dat ik het zo fantastisch vond.

Sindsdien is het boek altijd meeverhuisd naar nieuwe adressen en heeft het alle selecties van mijn boekenverzameling doorstaan, net als een paar andere boeken uit mijn jeugd. Misschien moet ik de trouw van Doktor Faustus belonen, net als Aan de vooravond van Toergenjev en een paar andere boeken uit die tijd waar ik goede herinneringen aan koester. Was het het enthousiasme van een beginnend lezer voor wie alles nog nieuw was? Of is het iets blijvends wat ik nog steeds zou kunnen ervaren als ik die boeken nu zou herlezen? Ik beschouw mezelf nog altijd als een beginnend lezer, elke keer weer als ik een boek opensla. Of ik de blik van toen zou kunnen terug halen naar nu, dat is waarschijnlijk een illusie, maar ergens in mijn geheugen zijn wellicht nog kruimels uit die tijd te vinden en naar die kruimels ben ik nieuwsgierig. Wie weet, op een dag.

27.4.2017

De vogel was zwart en leek een rode kuif te hebben, maar de afstand was te groot om het goed te kunnen zien. Ik bleef staan om te kijken. Speelde de vogel een spelletje met mij? Steeds verdween het achter een boomstronk om dan links, rechts of in het midden koket met zijn kop tevoorschijn te komen. Kiekeboe! Ik verroerde me niet, lachte stil. De vogel vloog naar een boom en de wijze waarop hij nu omhoog hipte en verdween achter de stam deed bij mij de gedachte opkomen dat het een specht zou kunnen zijn. Weer dat spelletje, om de hoek kijken, staat dat dier er nog? Even was ik de vogel kwijt, maar toen ik zag hem lager op de stam zitten en was het alsof hij op deze ontdekking gewacht had om dan ogenblikkelijk weg te vliegen.

Na deze ontmoeting liep ik verder. Ik had het geluk gehad nog geen mens tegen te komen en dat gaf me een tevreden gevoel. Het was een uitzonderlijke mooie wandeling. Bewolkte hemel, geen wind, veel geluiden van vogels waaronder het geroffel van spechten. De akoestiek van het bos gaf de geluiden diepte, maakte er muziek van. Ongekunstelde muziek die klinkt en weer verdwijnt, kortstondige passages in een eeuwigdurende improvisatie.

Bij het kruisen van twee paden zag ik haar lopen. Had zij de afslag genomen, omdat zij mij in de verte had zien aankomen? Zoals ik zelf mensen probeer te ontwijken door snel een ander pad te kiezen? Ik zag haar van mij weg lopen en er was iets in haar tred en haar bewegingen, er was iets in haar verschijning dat klopte. Ik herkende haar zonder te weten wie ze was. Ze had de juiste stilte, ze had de juiste afwezighed. Was ik niet blijven kijken bij de zwarte specht, dan waren we elkaar natuurlijk gepasseerd, dan hadden we elkaar wellicht gegroet, dan hadden onze blikken elkaar gekruist en had ik misschien gedacht: precies de juiste diepte. Maar dat was niet gebeurd. Ik keek haar een tijdje na en hoopte dat ze om zou kijken.

3.4.2017

er is geen weg (2)

Aan de rand van het dorp aarzelde hij. De zuidelijke weg was onverlicht en het zou nog wel even duren voordat de eerste zonnestralen boven de heuvels zichtbaar zouden worden. Was hij te vroeg opgestaan? En dat alleen maar omdat hij in alle rust en stilte wilde vertrekken? Of wilde hij haar ontlopen?

Gisteren was zij voortdurend overal opgedoken. Wanneer hij een plekje had gevonden op het terras om te lezen, bij de avondmaaltijd en toen hij zijn dagboek aan het schrijven was. Zwijgzaam had hij naar haar oninteressante verhalen geluisterd. Over haar moeilijke jeugd, haar mislukte studie en de echtscheiding. Nu was ze op weg naar Santiago di Compostela om te ontdekken wie ze was, om haar geluk te vinden. Hoe vaak had hij niet vergelijkbare redenen gehoord om deze reis te maken? Het leek wel alsof alle pelgrims hun eigen varianten hadden op dezelfde clichés. Maar hij had het geduldig aangehoord, zo nu en dan bemoedigend geknikt en oprecht medeleven geveinsd.

Hij rechtte zijn rug, voelde nog eens of zijn rugzak wel goed op zijn heupen leunde, trok nog wat riempjes aan en waagde het erop. De rugzak voelde zwaarder aan dan gisteren, maar dat kon ook de vermoeidheid zijn. Hopelijk vond hij in het volgende plaatsje een geopende winkel waar hij wat eten kon kopen.

Maar hij was niet enige die in beweging kwam. Ergens ver weg in het landschap starte een motor en flitste een fel licht aan. Een traktor en een combine gingen aan het werk, twee lampen wezen hen de weg.

20.1.2017

Misschien kwam het omdat ik ditmaal 's middags was gaan lopen. De winterzon stond al laag aan de hemel, het licht verdween langzaam achter de boomtoppen. Door de gesmolten sneeuw bestonden de paden uit zuigend modder. Ik nam vandaag een andere weg. Ook daar kwam ik geen mens tegen, ik was alleen met een enkele vogel, met de bomen en de struiken, met de gevallen bladeren en naalden op het pad. De gedachte kwam bij mij op: wat nu als ik hier een hartaanval of een beroerte zou krijgen, dat ik hier bewusteloos zou neervallen, sterven wellicht, hoe lang zou het duren voordat ze mij gevonden hebben? Dat de gedachte mij niet verontrustte, kwam niet omdat ik niet gehecht zou zijn aan het leven, integendeel, maar omdat het mij een mooie dood zou lijken, ver van de idiote mensheid, midden in de onverschillige natuur.

15.1.2017

er is geen weg (1)

Hij had besloten op te staan voordat de anderen wakker zouden worden. Buiten was het donker, binnen werd nog vrolijk gesnurkt. Voorzichtig ritste hij zijn slaapzak open en zwaaide zijn benen buiten boord. Met zijn slaapzak en zijn kleren onder de arm liep hij zo geruisloos mogelijk naar de deur, opende en sloot deze met beleid en haalde weer adem op de gang. Snel trok hij zijn kleren en zijn schoenen aan en bedacht zich dat hij zijn rugzak vergeten was. Ditmaal kraakte de vloer onder zijn schoenen, hij sloop naar het bed en tilde de rugzak over zijn linkerschouder. Toen hij zich omdraaide keek hij in de ogen van de jonge vrouw die gisteravond haar hele leven aan hem verteld had. Hij glimlachte, stak aarzelend zijn hand op bij wijze van groet en fluisterde sorry.

Buiten was het aangenaam fris. De klok op de kerktoren gaf kwart over vier aan, de tijd dat sommige monniken al hun zinloze gebeden zeggen om de wereld te redden. Hij snoof de heldere lucht op, voelde nog eens of zijn rugzak goed zat en begon te lopen.

13.1.2017

Mijn boekenverzameling als een wijnkelder. Sommige boeken moeten nog rijpen voordat ik ze wil lezen en dat kan jaren duren. Soms sta ik voor de kast, bestudeer de etiketten en vraag me af voor welke fles de tijd gekomen is. Het voordeel van boeken ten opzichte van wijn is, dat ze nooit op raken. Je kan het boek leegdrinken en het weer in de kelder zetten en de volgende keer is het opnieuw tot de rand toe gevuld. Sommige boeken smaken naar meer, andere bezorgen me een kater. Veel hangt af van de druif die ze geschreven heeft. Maar elk boek weet wanneer de tijd rijp is, dan laat het zich kiezen en de lezer vergist zich zelden. Een goed boek dient zich altijd op het juiste moment aan.

6.1.2017

De horizon is niet te zien, het groen van de weilanden gaat over in het grijs van de mist. Een gevoel van grote leegte. Geen vee buiten, ze staan op stal in de boerderijen die hier en daar uit de nevel opdoemen. Kale bomen naast slootjes en vaarten, ineengedoken vogels op een hek. Dat is het wel zo'n beetje, welkom in mijn geboorteland! Wanneer de trein de bebouwde kom binnenschuift, is er tenminste suggestie van leven. Bij het passeren van het poortje is de reis voltooid, ik ben uitgecheckt en ga een verleden tijd en ruimte binnen.

2.1.2017