1737

2 juli 2019

Vanaf het moment dat hij had leren spellen was hij door die manie bevangen. Sinds jaren toevertrouwd aan de zorgen van een oude huishoudster die van hem hield als van een zoon, had hij heel behoorlijk rond kunnen komen als hij zich voor de aanschaf van de vele vele boeken die in grote wanorde door het huis slingerden niet in de schulden had moeten steken. Daar hij geen nieuwe boeken kon kopen had hij de oude al twee keer herlezen, een voor een had hij ze van de eerste tot de laatste bladzijde herkauwd. En net zoals sommige dieren als natuurlijke afweer de kleur en de eigenschappen van de plekken, van de planten waarin ze leven aannemen, zo was hij langzaam maar zeker bijna van papier geworden: zijn gezicht, zijn handen, de kleur van zijn baard en van zijn haar. Na stap voor stap alle stadia van bijziendheid doorlopen te hebben leek het al enkele jaren of hij die boeken werkelijk opat, letterlijk, zo dicht hield hij ze bij zijn gezicht om ze te kunnen lezen.

(...)

Het leven, dat had hij niet geleefd: hij kon wel stellen dat hij nooit iets goed had gezien: aan tafel, in bed, op straat, op de bankjes in het park, altijd en overal had hij nooit iets anders gedaan dan lezen, lezen, lezen. Nu was hij blind voor de levende werkelijkheid die hij nooit gezien had; en ook voor de werkelijkheid beschreven in de boeken die hij niet meer lezen kon.

(...)

Met zijn voorhoofd tegen de rug van de boeken geleund die in rijen op de planken stonden, bracht hij nu zijn dagen door alsof hij verwachtte dat via die aanraking de gedrukte materie in hem zou overvloeien. Beelden, voorvallen, flarden van beschrijvingen kwamen hem weer haarscherp voor de geest: hij zag, ja in die wereld van hem zag hij enkele bijzonderheden terug die bij het herlezen de meeste indruk op hem hadden gemaakt: vier rode lichten die, tegen het ochtendgloren, nog brandden in een verlaten zeehaven, met slechts één aangemeerd schip waarvan de masten en de tuigage skeletachtig afstaken tegen de grauwe somberte van het eerste daglicht; bovenaan een steil oplopende laan, tegen de vlammende achtergrond van een herfstschemering, twee grote zwarte paarden met een hooizak om het hoofd.

Maar hij kon het in die benauwende stilte niet lang uithouden. Hij wilde dat zijn wereld weer een stem kreeg, dat hij zich aan hem liet horen en hem vertelde hoe hij in werkelijkheid was en niet in zijn verwarde herinnering. Hij plaatste nog een advertentie, voor een lezer of een lezeres (...)

Luigi Pirandello De vlieg. Novellen voor een jaar, 246-249

1736

24 juni 2019

Is 'wereld' niet de naam voor een plaats waar mensen onvermijdelijk onprettige herinneringen verzamelen, herinneringen aan verwondingen, beledigingen, krenkingen en alle mogelijke episodes waarbij men jaren later nog de vuist zou willen ballen?
Peter Sloterdijk Woede en tijd, 64-65

In feite pleit de massacultuur al sinds lang voor de overdracht van de dossiers van het Laatste Oordeel aan een menselijk trustschap.
Peter Sloterdijk Woede en tijd, 73

Omdat het christendom zich in zijn vroegste reclamedrukwerk presenteerde als de godsdienst van de liefde voor de vijand, van de vergiffenis, van wraakonthouding, en van de hartelijke inclusiviteit, leidde de tegenspraak tussen zijn vriendelijke verkondiging en zijn furieuze eschatologie al gauw tot irritaties.
Peter Sloterdijk Woede en tijd, 129-130

Voor de rest moet het geloof in de terugkeer van Fortuna, die via banken en beurzen de haren begunstigt, gezien worden als een postchristelijke herinterpretatie van protestantse uitverkiezings­fantasieën – waarbij men dan wel het gevaar loopt dat men de genadeloze kern van het calvinisme blootlegt, dat zijn ware aard onthult via de mystieke obsceniteit van het zich-God-nabij-voelen nadat de kas is opgemaakt.
Peter Sloterdijk Woede en tijd, 255

De op ondernemerschap gebaseerde wereld heeft het verleden in feite alleen maar nodig om het achter zich te laten.
Peter Sloterdijk Woede en tijd, 256

1735

22 juni 2019

‘Nee, natuurlijk was er geen rotsblok,’ zei hij, ‘het was totaal wat anders.’ ‘Geen rotsblok?’ ‘Nee, geen rotsblok.’ Maar wat het dan wel was, wilde hij niet zeggen. ‘Daar gaat het ook niet om en het gaat er ook niet om of hij hoger kwam, het gaat er alleen maar om of hij weer naar beneden duikelde of niet. Daar gaat het om.’ ‘Aha.’ ‘Er was ook helemaal geen pad, ook niet als hij weer opnieuw moest beginnen, want je zou denken dat er na al die pogingen een pad uitgesleten was, maar nee, geen sprake van.’ ‘Maar komt er dan ooit een einde aan?’ ‘Wie weet. Als je maar begrijpt dat er geen rotsblok is.’ ‘Geen rotsblok.’ ‘Laat staan dat er een berg is.’ ‘Ook geen berg?’ ‘En geen weg, er is geen weg.’ ‘Ö’ ‘Wij zijn er ook niet, er is alleen maar jij.’

1734

19 juni 2019

Pierre Étienne Théodore Rousseau (1812-1867)
The Forest of Fontainebleau (1867)

1733

18 juni 2019

Het is ongetwijfeld mijn eigenaardige manier om er dichterbij te komen. Bovendien appelleert het aan mijn twijfelachtige overtuiging dat spreken over waarheden spreken over paradoxen is. Daarnaast speelt mee dat ik zo langzamerhand ben gaan inzien dat ik overtuigingen niet moet hebben of er over moet spreken, maar dat ik ze moet tonen, door er bijvoorbeeld niet over te schrijven. Overtuig anderen door je levenswijze, niet door eindeloze debatten en discussies, dat is mijn pacifisme.

Maar laat ik de bekentenis doen die ik eigenlijk niet wilde doen: ik schrijf aan een boek dat niet geschreven zal worden. Welaan, de trouwe lezer zal zich er niet over verbazen.

Waarom deze omslachtige manier? Omdat erkennen dat ik aan een boek schrijf mij ogenblikkelijk verlamd. Ik kan niet schrijven als er iemand over mijn schouders meekijkt, al is het maar imaginair. Ook het idee dat iemand het zal lezen en er iets van zou kunnen vinden, maakt mij nerveus en doet mij ogenblikkelijk de pen neerleggen.

Geloof me, ik schrijf deze woorden niet, het is iemand anders. Ik heb deze omweg nodig. Die iemand anders schrijft het trouwens ook niet, hij heeft ook weer iemand anders die schrijft. De schrijver die ik niet ben bestaat uit een eindeloze homeopathische verdunning. Ik drink het en verbeeld me dat het helpt. Mijn schrijfsels ontstaan vanuit een pathologische ontkenning, neem deze ontkenning weg en ik zal niet meer niet schrijven.

1732

12 juni 2019

Mijn vader vond het platteland maar saai, daarom wilde hij altijd op vakantie naar de Alpen. Ik deelde zijn liefde voor de bergen. Het gaan over smalle paadjes naar boven, zien hoe de mensenwereld daar beneden steeds kleiner en nietiger werd, het uitkijken over een indrukwekkend landschap. Een huiveringwekkend, unheimlich landschap soms, dat bij mij als jongeling gevoelens opriep waarvan ik toen nog niet wist dat romantici het hebben van die gevoelens omschreven als een sublieme ervaring.

Mijn moeder hield van het Friese landschap met zijn leegte en verre horizonnen, hier en daar wat bomen, grazend vee, een boerderij, een kerk op een terp. Voor mij was dat het vertrouwde, alledaagse landschap, heimisch, dat ik kon zien op het schoolplein en later fietsend naar de school in de stad. Ik ben het pas gaan waarderen toen ik verhuisde naar de Randstad. Lang had ik het verlangen terug te keren naar Friesland, ik miste de horizon, letterlijk en figuurlijk. Ik prijs me nu gelukkig met mijn uitzicht op een bos, maar als ik morgen zou kunnen verhuizen naar een uitzicht met een horizon, dan zou ik dat doen.

Heeft een landschap invloed op het werk van een schrijver? Ik moest daaraan denken toen ik het volgende nagelaten fragment van Nietzsche las.

Waarvoor de mensen er zijn, waarvoor 'de mens' er is, daar moeten we ons volstrekt niet om bekommeren: maar vraag je wel af waarvoor jíj er bent: en als je daar niet achter kunt komen, welnu, stel jezelf doelen, hoge en edele doelen en ga eraan te gronde! Ik ken geen beter levensdoel dan aan het grote en onmogelijke te gronde te gaan: animae magnae prodigus ['rijk begiftigd met zielengrootsheid'].

Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 1, 522-523

Niet ieder mens is een hooggebergte waarin hij kan wandelen, mijn waarde Nietzsche!

Sommige mensen bespeuren melancholie in mijn teksten en vinden mij daarom romantisch. Ik heb daar geen bezwaar tegen, ik houd van melancholie. Melancholie is een droevig, maar ook een mooi gevoel. Het is een verlangen naar schoonheid die geweest is en zich niet zal herhalen en daarom is het droevig. Tegelijkertijd houdt het de wetenschap in stand dat schoonheid kan bestaan en dat het zich altijd opnieuw kan aandienen en daarom is het mooi en troostrijk. Ik verbind het vaak met de gevoelens die ik in de bergen had.

Ik houd van teksten die ademen, teksten met ruimte, teksten met een horizon die mijn horizon verbreden. Teksten die gedachten als voorbijdrijvende wolken boven een landschap oproepen. Ik streef naar helderheid en eenvoud en ik verbind dat met het landschap uit mijn kindertijd en mijn jeugdjaren. Of ik met dat streven zal slagen, dat weet ik niet.

1731

8 juni 2019

Schrijven vrouwen anders? Ik weet het niet, deze vraag heeft niet mijn aandacht. Mijn intuïtie zegt me, dat er verschillen zijn, maar of de verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke schrijvers groter zijn dan tussen vrouwen onderling of mannen onderling, dat zou ik niet met zekerheid kunnen zeggen. Het kan zijn dat vrouwen andere accenten leggen dan mannen, dat vrouwen meer over relaties schrijven (om voor de gelegenheid maar een cliché van stal te halen) en mannen meer over uitgebluste midlife mannen die een vrouw in hun leven missen, eenzaam aan de drank pakjes sigaretten wegpaffen. Kan allemaal.

Laten we dan maar zeggen dat het uiteindelijk om de stijl draait, de wijze waarop je een verhaal vertelt. Ik heb het nooit onderzocht, maar mogelijk dat daar de verschillen liggen. Dat vrouwen per definitie een slechtere stijl hebben dan mannen, dat geloof ik niet. Overigens vind ik de kwalificaties goed of slecht niet van toepassing, liever spreek ik over mooi en minder mooi, eventueel stijlvol of stijlloos. Of een indeling in mannen en vrouwen hierbij vruchtbaar is, dat betwijfel ik. Ik heb het liever over boeken die me boeien, me raken, me verontrusten, boeken die mij bij het lezen ervan in meer of mindere mate herijken en verrijken. Of de naam op de kaft mannelijk of vrouwelijk is, dat zal me uiteindelijk worst wezen.

Maria Barnas is schrijfster. Haar romans Engelen van ijs en De baadster heb ik met plezier gelezen, dat herinner ik me, maar verder gaan mijn herinneringen niet (het is sowieso opzienbarend hoe weinig een lezer onthoudt van een boek). Ik kende haar werk dus al enigszins toen ik ontdekte dat ze columns schreef voor de culturele bijlage van het NRC. Algauw keek ik naar die wekelijkse bijdragen uit. Ze schreef voornamelijk over beeldende kunst met een toon die me zeer sympathiek was. Eenvoudig verhalend zonder pretenties, knoopte ze een alledaagse ervaring aan een ervaring van een kunstwerk. Of plaatste zij die ervaringen eenvoudigweg naast elkaar en moest je als lezer zelf het verband maar ontdekken. Soms kwam het geforceerd over, soms als een invuloefening van een sjabloon, maar doorgaans vond ik het zeer verhelderend. Bovendien, zo zou ik ook wel over boeken willen schrijven. Een boek analyseren en er een oordeel over vellen, ik heb daar geen talent voor, ik beschik niet over het gereedschap om dat goed te kunnen. Liever schrijf ik over mijn relatie met het boek dat al of niet ontstaat en plaats ik het in mijn verhaal, soms expliciet, vaker impliciet (dus onzichtbaar voor de lezer).

Maria Barnas stopte met het schrijven van haar columns en ik vond dat vreselijk jammer. Jaren later zag ik de bundeling ervan in de ramsj liggen bij de Slegte. Fantastisch heet het boek, met de dubbele verwijzing naar geweldig en fantasierijk. De aankoop heeft ondertussen jarenlang geduldig staan wachten in de kast, maar nu heb ik het dan toch gelezen en het viel me op dat ze misschien geen bijzonder mooie stijl heeft, maar wel één die doeltreffend is in het bestek van een column. Ik houd van schrijven op de korte afstand, je moet karig zijn met woorden, in een paar zinnen vertellen. Barnas lijkt in de meeste columns een schema aan te houden: eerst de alledaags anekdote, dan het kunstwerk of boek of gedicht of een ontmoeting met een kunstenaar, dan een slot dat je verder laat mijmeren en laat verlangen naar de volgende bladzijde. Het is altijd haar blik en het is deze blik die me steeds doet verwonderen hoe je ook naar kunst kunt kijken, hoe je ook een gedicht kunt lezen, een manier van kijken die de wereld van de kunst in de alledaagse wereld plaatst. En vice versa, zodat de grenzen lijken te vervagen.

Je bent zoveel ikken als je verdragen kunt.
Maria Barnas Fantastisch, 88

De mooiste route die ik ken, is er een waarlangs de tijd stilstaat.
Maria Barnas Fantastisch, 98

Terwijl ik het liefst alles zou willen onthouden, is het alsof ruitenwissers stroef over de voorruit van mijn geheugen trekken om steeds wisselende sporen achter te laten.
Maria Barnas Fantastisch, 106

Wat je leest, vormt een ruimte om je heen tot het een onvermijdelijke wereld is geworden waarin je kunt bestaan.
Maria Barnas Fantastisch, 162

Ik geloof dat mijn levensgeluk in grote mate afhankelijk is van het vermogen om delen van mijn omgeving te negeren.
Maria Barnas Fantastisch, 280

1730

7 juni 2019

Eva Gonzales (1849-1883)
Portrait of a Young Woman (ca. 1865-ca. 1870)

1729

5 juni 2019

Zijn er wel momenten dat je echt gelukkig bent?
Ik denk na over dat echt. Kun je onecht gelukkig zijn? Kun je veinzen dat je gelukkig bent? En hoezo momenten? Is geluk dan een oase in een woestijn van ongeluk? Is het niet mogelijk dat het langer duurt dan een moment? Hoe lang duurt een moment eigenlijk?

Ik heb zorgen en problemen, draag een geschiedenis met me mee dat soms tot psychisch ongemak leidt, mijn alleenzaamheid wordt wel eens eenzaamheid, gevoelens van gemis en verdriet zijn mij niet vreemd en meermalen zou ik wensen dat het scenario van mijn leven andere wendingen en een ander plot kende. Toch voel ik me gelukkig. Het gevoel mag soms zwak zijn, het mag voor kortere of langere tijd afwezig zijn, maar ik weet dat het er is, dat ik erop kan vertrouwen.

Ik realiseer het me altijd achteraf: als het applaus losbarst na een muziekstuk, als ik opkijk uit een boek en denk is het al zo laat?, als ik op de fiets opschrik uit mijn gedachten, om me heen kijk en me realiseer ben ik hier al? De tijd stond stil of leek tot in het oneindige uitgerekt. De plek waar ik was leek opgelost in afwezigheid. Het waren momenten van concentratie waarin ik als vanzelf terecht kwam en met de terugkeer van tijd en ruimte worden zulke ervaringen herinneringen.

Wellicht is mijn geheugen een archief van dergelijke herinneringen. Een archief waaruit ik altijd kan putten, een archief dat mij het vertrouwen geeft, dat naast alle ellende en ongemak er ook nog schoonheid en waarachtigheid bestaat en dat het zich altijd kan aandienen op onbewaakte ogenblikken. De glinstering in haar ogen, de val van het licht, een combinatie op het schaakbord, haar hand op mijn schouder, het kraken van sneeuw, het spreken van stilte, het spelen van die ene noot in die ene sonate door die ene pianiste, het vinden van wat ik niet zocht, de eenvoud van eenvoud, de gang van de wandel, het eerste geluid van mijn pasgeboren kind, een zin die verder gaat in het wit

Waren dat momenten dat ik echt gelukkig was? Misschien. Al denk ik dat momenten van geluk altijd achteraf gerealiseerd worden. Op het moment zelf ben ik me er vaak niet bewust van en wellicht is dat wel een voorwaarde voor gelukkig zijn. Het zijn niet de ervaringen zelf, maar de altijd aanwezige troostrijke herinneringen aan die ervaringen. Ervaringen die in de schaduwen van mijn gedachten klaar staan om me te bespringen als dat nodig is. Dat is wat mij gelukkig maakt.

1728

2 juni 2019

De tafel. De tafel staat. De tafel is klein en niet bijzonder. Het blad is groter dan mijn schaakbord, in een mooie verhouding. Het verhaal gaat dat mijn grootvader zijn krant las aan deze tafel. Ik heb daar geen herinneringen aan, grootvader overleed toen ik één jaar oud was. Toch heb ik beelden van het huis waarin grootmoeder achterbleef, vage beelden die misschien niet kloppen, beelden die wellicht achteraf zijn geconstrueerd. In dromen. Maar daar staat de tafel. In de achterkamer. Onder de klok. Zoín klok die tiktakt en zwaar metalig boinkt en geregeld opgewonden moet worden. Met een sleutel. Een gat voor de slinger en een gat voor het slaan. Om de tijd voorbij te laten gaan. Grootvader las vast het conservatieve, protestantse Friesch Dagblad. Mijn grootvader stemde ARP, de Anti-Revolutionaire Partij. Toen mijn vader overleed, zette mijn moeder de tafel in de keuken en ging ze daar de krant lezen. Uitpluizen, zei ze altijd. En de kruiswoordpuzzels. Aan dezelfde tafel als haar vader. Nu is mijn moeder dood, nu staat de tafel bij mij. Er wordt gezegd dat ik op mijn grootvader lijk, al ben ik niet conservatief en zou ik me nooit op een krant als het Friesch Dagblad abonneren. Ik lees de krant niet aan tafel, ik lees de krant online. Het NRC en soms de Volkskrant. Maar, grootvader las tenminste. Al zouden we elkaar politiek en religieus niet begrijpen, ik vermoed dat we op elkaar lijken in onze principiële houding. Dat zou kunnen, ik weet het niet, ik heb hem helaas nooit gesproken. Maar de tafel staat. Met het schaakbord erop. En een schaakklok. Een ouderwetse tafel, getekend door de tijd. Mijn moeder deed er altijd een kleedje op. Ik niet. Bij mij mag je de vergankelijkheid zien, ik wil dat niet bedekken. Wabi-sabi. De barsten in het blad, de slijtage aan de randen, de verkleuringen. Mijn tafel nu. Mijn tafel staat. Totdat

-->

1727

27 mei 2019

Het leven is zinloos dus moet je het zin geven en je geeft het zin door een doel te formuleren, iets dat je wilt bereiken voordat je leven eindigt. Dat doel kan bestaan uit een lijst met activiteiten die je gedaan wilt hebben. Dan loop je je leven lang met een emmertje in je hand dat klotst en overloopt met wensen, dan is je leven voltooid als aan al die wensen voldaan is. Of je beschouwt het doel dat je wilt bereiken als een droom, een droom dat je kunt najagen met gedrevenheid, met passie. Je leven als een pijl in een boog, dat als je de boog maar goed spant, de pijl maar goed genoeg richt, je leven het doel niet zal missen. Desnoods ten koste van anderen, want je leeft maar eens, dus het moet nu gebeuren (leef in het nu!), zo snel mogelijk, want de tijd tikt en wanneer je tijd op is en je hebt je dromen niet of niet lang genoeg geleefd, dan heb je gefaald en ben je een mislukt mens. En iedereen kan natuurlijk zijn dromen realiseren, als ze maar hard genoeg hun best doet, als ze maar geloven. Want wie twijfelt loopt het risico zijn doel te missen. Wie twijfelt faalt.

Ik twijfel. Heb ik dan geen emmertje met wensen? Vast wel, ik weet alleen niet waaruit die wensen bestaan. Heb ik dan geen doel in mijn leven? Vast wel, maar ik zou niet weten waarop ik zou moeten richten. Vreemd genoeg, ik werd altijd blij en gelukkig van het uitkomen van wensen waarvan ik niet wist dat ik ze had. Zoals de beste vrienden ontstonden uit ontmoetingen waarvan ik niet wist dat ik die ontmoetingen zou hebben. De mooiste boeken waren vaak de boeken waarvan ik niet wist dat ik ze zou lezen. Mijn leven heeft vast een doel, alleen weet ik niet waar de roos zich bevindt, desondanks zal ik het raken. Ik twijfel, omdat ik de indruk heb dat alle mooie momenten in mijn leven niet voortkwamen uit najagen, gedrevenheid en passie, maar vanuit openheid en nieuwsgierigheid naar wat zich maar aandiende. Ik hoef het alleen maar op te merken. Het leven als een ruimte met mogelijkheden. Of het zin heeft, dat weet ik niet, het zal blijken. Of niet.

1726

16 mei 2019

Sofia Adlersparre (1808-1862)
Marie Dietsch (1848)

1725

14 mei 2019

Het is Moederdag en ik rijd naar het ouderlijk huis dat nu een ouderloos huis is geworden. Mijn eerste Moederdag zonder moeder. Over de brug over het randmeer rijd ik de polder in. Boven wisselende horizonnen zie ik wolken in alle tinten wit en grijs tegen een zonovergoten lichtblauwe achtergrond over een oneindig laagland drijven. Het kader van dit wolkenlandschap is zo wijd dat ik er wel een still uit een film van zou willen maken. Veranderende wolken op zoek naar een vorm. Ik zou willen verdwijnen in de schoonheid van dit landschap. Ik glimlach en ik zeg in gedachten: kijk mam, zo mooi. Ze zou het niet begrepen hebben.

1724

9 mei 2019

Al mijn ervaringen worden bepaald door mijn 'tot leven gewekte' verzinsels.
Frida Vogels Dagboek 1974-1976, 316

Maar hoe moeten we ons een economisch leven voorstellen dat niet gefundeerd is op de erotische impulsen, dat wil zeggen op de begeerte, het willen-hebben, de verorberingsdrift, maar op thymotische impulsen zoals het verlangen naar erkenning en het zelfrespect?
Peter Sloterdijk Woede en tijd, 41

En wie ziet niet dat zich nu al de wolken hebben samengepakt waaruit het onweer van de eenentwintigste eeuw zal losbarsten?
Peter Sloterdijk Woede en tijd, 60

En als hij kon, lanceerde hij zich uit zijn eigen hoofd.
Maria Barnas Fantastisch, 32

Overigens kunnen we hieruit leren dat een strijdpunt alleen terrein wint als een irritatie in een instituut verandert – met goed zichtbare woordvoerders en permanente medewerkers, met een klantenservice, een eigen budget, congressen, een professionele persdienst en een voortdurend berichtgeving vanaf het probleemfront.
Peter Sloterdijk Woede en tijd, 62

1723

6 mei 2019

Werken is een deugd. Of beter: hard werken is een deugd, je komt er niet meer met alleen werken. Zoals vroeger geluk en voorspoed de genade van God was, eventueel afgedwongen door noeste arbeid in het zweet uws aanschijns, zo is hard werken tegenwoordig een garantie dat men zonder schaamte onnodige aankopen doet en vooral veel op vakantie kan gaan. Of eenvoudig een middag in ledigheid mag doorbrengen in een goed onderhouden tuin. Want je hebt er hard voor gewerkt. Je zou bijna vergeten dat de mens moet werken juist omdat de man naar zijn vrouw geluisterd heeft en van de boom gegeten heeft waarvan hij niet mocht eten, je zou bijna vergeten dat werken een gevolg is van de verdrijving uit het paradijs. Wie blij is zonder te werken - of zonder hard te werken - is verdacht.

Het is waar, in een tijd waarin steeds minder mensen zeggen in God te geloven en de ontkerkelijking toeneemt, in een tijd waarin religieuze ernst een gevoel van onbehagen geeft, in deze tijd floreert de christelijke moraal nog steeds. God kun je afschaffen en van Jezus' weg naar het kruis kun je een spektakel op televisie maken (hetgeen meteen een mooi promotiefilmpje voor je stad oplevert), de religieuze, calvinistische moraal zit diep verankert en trekt ons nog steeds verder de diepte in.

Begrijp me niet verkeerd, ik gun iedere harde werker zijn plezier in de vrije uren, in zijn of haar vakanties (en ik gun het ze ook als ze niet hard werken). Maar waar het mij om gaat is dat werken niet meer genoeg is om deugdzaam te leven, men moet hard werken, efficiŽnt, doelgericht, het liefste brengt het de mensheid verder, het liefste verhoogt het onze welvaart en laat het onze economie floreren. Werken moet rendement opleveren. Werken moet omwille van iets anders, niet omwille van jezelf, dat komt pas later, na het werken.

Het lijkt wel alsof we ons vermogen tot luchtigheid verloren hebben in het werk, laat staan dat werken in de eerste plaats plezierig mag zijn. Eigenaardig is het in dit verband dat adviseurs in mijn zoektocht naar werk altijd vragen naar activiteiten waar ik blij van word, waar ik energie van krijg, want dat zijn de moderne frases, dat schijnt een goed uitgangspunt te zijn voor het werk dat ik moet gaan vinden. Als ik dan antwoord dat ik blij word van boeken, lezen, wandelen, schrijven, dan word ik zorgelijk aangekeken, want dat schijnen nu bij uitstek de activiteiten te zijn die ik moet verdienen met hard werken. Dat is de mores, zo wordt mij impliciet geleerd.

Ja, ik wil graag een baantje, al was het maar om financieel wat minder zorgen te hebben. Natuurlijk, ik ben dankbaar voor de goedhartigheid van de belasting betalende samenleving dat ik niet dood hoef te gaan omdat ik geen werk heb. Ik aanvaard dat ik in ruil daarvoor geen aanspraak mag maken op de positieve kanten van een deugdzaam hard werkend leven. Al moet ik eraan toevoegen dat van minder geld leven een wellicht onbedoelde positieve kant heeft: je gaat je namelijk afvragen wat werkelijk van belang is in het leven, je geeft je geld niet of nauwelijks meer uit aan zaken die je kunt missen als kiespijn.

Ja, ik wil graag een baantje, ik wil graag mijn steentje bijdragen aan het reilen en zeilen van de samenleving. Graag wil ik een baantje waar andere mensen baat bij hebben en niet een baantje waar ik louter bijdraag aan de winst van een bedrijf. Al moet ik er wel bij vertellen dat jarenlang zonder werk zitten iets in mij naar boven heeft gehaald wat er wellicht altijd al latent aanwezig was. Als buitenstaander met afstand tot de arbeidsmarkt ga je anders naar de samenleving kijken. Je gaat (nog beter) zien hoe volstrekt absurd en idioot onze mensenwereld eigenlijk is, een wereld van pose, poeha en theater. Je gaat je afvragen of je daar nog wel deel van wilt uitmaken, al weet je dat er tegelijkertijd niet aan te ontkomen valt.

Ja, ik wil graag een baantje, omdat ik dan van het zeurende en knagende gevoel van de maatschappelijke druk af ben. Dat als mijn taken erop zitten, ik zonder zorgen naar huis kan gaan om me bezig te houden met wat voor mij naast de kinderen werkelijk van belang is, waar ik blij van word, waar ik energie van krijg. Dat ik de genade mag ontvangen van een eenvoudige doch voedzame maaltijd, dat ik de genade mag ontvangen van het lezen van een boek en het schrijven van een stukje. Dat ik de genade mag ontvangen van het simpele wandelen door het leven.

1722

23 april 2019

Wanneer ik een wandeling maak heb ik geen schrift bij me om notities te maken. Het gebeurt maar zelden dat ik een gedachte waarmee ik aan de slag zou willen vergeet. Maar thuis gekomen moet ik het dan wel ogenblikkelijk noteren, de kans dat de gedachte vervaagd of verdwijnt is groot. Meestal gaat het dan niet om de gedachte alleen, maar om de formulering waar ik zo tevreden over was. Het is een eigenaardig fenomeen, dat wat ik zo graag en nadrukkelijk wil onthouden zo kwetsbaar is en in korte tijd uit mijn herinnering kan verdwijnen. Soms komt het op een onbewaakt ogenblik weer terug, soms kan ik er naar fluiten.

Friedrich Nietzsche maakte de aantekeningen op zijn urenlange wandelingen wel. Het is aan zijn zuster Elisabeth te danken dat veel van de schriften en documenten bewaard zijn gebleven. Na zijn ineenstorting haalde zij alles naar zich toe alsof zij al tijdens zijn leven een museum wilde inrichten. Dat er zo veel brieven, notities en documenten van Nietzsche overgeleverd zijn is mede haar verdienste. Dat zij bij publicatie censureerde, onwelgevallige passages schrapte of herschreef, waarbij vooral haar antisemitische en nationalistische wereldbeeld dat zo contrasteerde met die van haar broer naar voren moest komen, dat was de schaduwzijde van haar fanatieke project. Ze schroomde zelfs niet om uit de vele fragmenten een boek te construeren, Der Wille zur Macht, een boek dat Nietzsche nog had willen schrijven, maar dat bij zijn ineenstorting nog lang geen duidelijke vorm had gekregen. Wie dat boek leest zal niet verbaasd zijn, dat Elisabeth Förster-Nietzsche tientallen jaren later Adolf Hitler enthousiast ontving in het archief dat zij rond de nalatenschap van haar broer had opgetrokken. Of Hitler het werk van Nietzsche ooit gelezen heeft, is maar zeer de vraag.

Na de Tweede Wereldoorlog, na de val van het Italiaanse fascisme, werd Mazzino Montinari (1928-1986) lid van de Communistische Partij. Hij hield zich bezig met de vertaling van Duitse boeken in het Italiaans. Aan het einde van de jaren '50 begon hij samen met Giorgio Colli het werk van Nietzsche te vertalen. In 1961 reisde Montinari naar Weimar in Oost-Duitsland om de originele manuscripten te bestuderen. Al snel had hij door dat een nieuwe, kritische editie van Nietzsches werken noodzakelijk was. Het moet een monnikenwerk geweest zijn, want het handschrift van de halfblinde Nietzsche was nagenoeg onleesbaar. Gelukkig bestonden er veel transcripties van Heinrich Köselitz (alias Peter Gast), een vriend van Nietzsche die hem jarenlang geholpen had met het persklaar maken van zijn boeken. In 1964 verschenen de eerste Italiaanse vertalingen, waarna de Duitse uitgever De Gruyter belangstelling toonde en vanaf 1967 verschenen de eerste kritische edities van Nietzsches werk in het Duits. In 1980 verscheen de eerste complete editie met Nietzsches werken en nalatenschap vanaf 1869. Sindsdien geldt deze uitgave als standaard en kon het onderzoek naar het werk van Nietzsche zich hierop baseren. Mazzino Montinari ontmaskerde Der Wille zur Macht als een vervalsing en nam deze niet op in de wetenschappelijke editie. Wel de fragmenten die aan de basis hadden gestaan. Nog steeds wordt Der Wille zur Macht uitgegeven en zelfs nog onder de naam Friedrich Nietzsche. Geen liefhebber en kenner van het werk van Nietzsche neemt het nog serieus en zal het hooguit als curieus document in zijn kast hebben staan.

Tussen 2001 en 2007 verscheen de Nachlaß van Nietzsche in Nederlandse vertaling als Nagelaten fragementen bij uitgeverij SUN (ondertussen, o schande, alleen te verkrijgen in de ramsj). De vertalers Michel van Nieuwstadt en Mark Wildschut baseerden zich op het werk van Montinari en Colli. Stapels schriften, boeken met aantekeningen en mappen met losse aantekeningen hebben hun weg in het Nederlands gevonden in zeven kloeke delen. Een aantal jaren geleden begon ik te lezen in deel drie, het begin van Nietzsches thuisloze periode die ik zo interessant vind. Ondertussen is het mij gelukt het boek uit te lezen.

Al lezende heb ik me vaak afgevraagd wat de waarde van al deze fragmenten is. Natuurlijk, Nietzsche is Nietzsche en als liefhebber vond ik vele parels tussen al die fragmenten. Soms wilde ik wel hele bladzijden citeren. Het is een fascinerende kijk in de keuken van een groot denker en schrijver. Maar al te vaak vond ik de fragmenten onbegrijpelijk, soms sluiten de fragmenten ook absoluut niet op elkaar aan, dan weer lijkt Nietzsche bladzijden lang zich vast te bijten in één onderwerp. Vele fragmenten zijn in een andere vorm in de geboekstaafde teksten terecht gekomen en voor een onderzoekende geest is het inzichtelijk om de verschillen en overeenkomsten te bestuderen. Tegelijkertijd blijft het lastig in hoeverre je waarde mag toekennen aan deze opgeschreven gedachten. Het zijn fragmenten, de context ontbreekt. Mogelijkerwijs zijn het slechts geheugensteuntjes, waarvan ik niet kan beoordelen of Nietzsche er een dag later nog achter stond. Veel, heel veel is ook niet in zijn boeken terecht gekomen en de vraag naar het waarom blijft onbeantwoord. Soms citeerde Nietzsche uit boeken, maar ik weet niet of hij dat deed omdat hij ermee instemde of het juist afkeurde. Deze snippers en fragmenten zullen altijd gelezen moeten worden in de schaduw van zijn teksten die hij wel gepubliceerd heeft en zelfs die boeken zitten vol met tegenstrijdigheden en Nietzsche was zelf uitermate kritisch op zijn eerder gepubliceerde werk. Wie Nietzsche leest volgt een ontwikkeling, een wandeling van gedachten, waarbij de nagelaten fragmenten kunnen helpen deze ontwikkeling te volgen, maar zijn boeken hebben het laatste woord. De nagelaten fragmenten zijn het ruwe, ongepolijste materiaal, waarin Nietzsche soms nog uitgesprokener is dan in zijn boeken, maar als lezer moet je altijd in de gaten houden, dat het 'slechts' notities zijn, hoe fascinerend die notities ook kunnen zijn.

Ik neem de vrijheid mezelf te vergeten.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 451

ik zou mezelf niet missen!
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 455

'Laat eenieder doen wat hij als plicht ziet' – daarmee zou de achteruitgang en stilstand een feit zijn.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 460

Overal waar vereerd, bewonderd, verblijd, gevreesd, gehoopt, bevroed wordt, zit nog de God die we dood hebben verklaard – hij sluipt overal rond en wil alleen niet herkend en bij name genoemd worden.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 472

Je bent pas genezen als je de dokter en de ziekte bent vergeten.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 499

1721

23 april 2019

Daniela Astone (1980)
Selfportrait (2013)

1720

15 april 2019

Als we van de dood van God geen grandioze verzaking en een permanente overwinning op onszelf maken, moeten we het verlies dragen.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 437

Deze eenzaamste der eenzamen, de mens, zoekt nu niet meer een God, maar een kameraad.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 439

de waarheid najagen – is ook maar een vorm van de jacht op geluk
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 440

'ik ben mijn paraplu vergeten'
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 444

Het originele van de mens is dat hij iets ziet wat alle anderen niet zien.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 446

1719

2 april 2019

Georges Seurat (1859-1891)
In a park (1883)

1718

31 maart 2019

Op zondag 24 maart overleed mijn moeder. Op de crematieplechtigheid afgelopen vrijdag heb ik onderstaande woorden gesproken.

[ vooraf klonk deze muziek ]

Lieve mensen,

Lieve mama,

Weet je nog mama, die dag dat papa overleed, die dag in augustus 2014? Ik bracht je 's avonds thuis met de auto. Ik probeerde me te concentreren op de weg, maar jij was boos, zo boos, dat papa eerder gegaan was dan jij. Dat had je nooit verwacht, je voelde je in de steek gelaten, je had het gevoel dat papa je een laatste streek geleverd had. Ik luisterde naar je, ik had verdriet verwacht, maar niet dit, alhoewel boosheid en verdriet soms heel dicht bij elkaar liggen. Ik liet je praten, maar ik was ook verbaasd dat je niet door had gehad hoe slecht het met papa ging en hoezeer hij klaar was geweest met alles.

Op de crematie van papa heb ik gesproken en je wist dat ik dat ook voor jou zou doen en daar sta ik dan nu, ruim vier en een half jaar later.

In augustus 2017 zocht ik je op, drie jaar nadat papa overleden was. Je was kort daarvoor weer naar het ziekenhuis geweest en ik begon me af te vragen wat ik nu eigenlijk moest vertellen over mijn moeder op een toekomstige crematie-plechtigheid? Dus besloot ik je te gaan interviewen.

Het was niet moeilijk om je aan het praten te krijgen, je vertelde graag over jezelf en zoals dat vaak gaat boven een bepaalde leeftijd, je herinneringen aan je kindertijd en jeugd waren helderder dan ooit. Uren heb je verteld, je kon ontzettend uitweiden over alle onderwerpen en ik moest je vaak bij de les houden als we te veel zijwegen hadden bewandeld. Op de eerste dag waren we gestopt toen je ging trouwen met papa en Marian geboren werd. Ik had de volgende dag verder willen gaan, maar tegelijkertijd had ik het gevoel dat dit niet ging werken. Want, hoe boeiend je ook vertelde, op één of andere manier kreeg ik toch geen beeld van wie je was als kind, als tiener. Je kon me soms zeer gedetailleerd allerlei anekdotes vertellen, maar wat jij er van vond of wat jij er bij voelde, daar kreeg ik geen hoogte van. Dus besloot ik het over een andere boeg te gooien en stelde ik voor om de volgende dag een rondrit te maken langs enkele plaatsen die je had genoemd.

De reis naar Holwerd, de plaats waar je was geboren, was al typerend. Je was gespannen en bezorgd of we wel de goede weg namen. Moest ik niet die andere weg nemen? Kon ik niet beter ... Ik verzekerde je steeds dat we alle tijd hadden, dat we er wel zouden komen en geniet nou maar van het mooie weer en het uitzicht, maar dat lukte je niet.

In Holwerd liepen we langs het graf van je moeder. Je herkende veel namen op andere grafstenen en soms wist je nog precies het beroep dat ze hadden uitgeoefend, de smid, de bakker ... Je liep aan mijn arm en ik merkte dat je niet veel energie meer had, het lopen ging moeizaam. Je wilde graag nog je geboortehuis zien en terwijl ik met de auto door de smalle straatjes probeerde te navigeren, zocht je naar een pleintje met een oude waterpomp. We vonden uiteindelijk het pleintje, maar de straat waar jij geboren was, was op dat moment niet toegankelijk voor autoverkeer en je zag het niet zitten om uit te stappen en ernaar toe te wandelen.

Dus reden we door naar Bergum, de plaats waarnaartoe je vader als hoofd van de politie in de Tweede Wereldoorlog, in 1942, door de Duitsers was overgeplaatst. Je vertelde me met pretoogjes dat pake in Holwerd een reputatie had. Streng en rechtvaardig was hij geweest. Met plezier herinnerde je een reünie van de lagere school en hoe de mensen reageerden als ze erachter kwamen dat je er één van Wiersma was. Je vertelde altijd met respect over je vader en ik denk dat je trots op hem was. Een mooi detail vond ik in één van je verhalen dat pake altijd in uniform naar de kerk ging en dat hij daarbij een sabel droeg en dat jij dan, toen je nog een klein meisje was, tijdens de dienst met het koord van de sabel speelde. Gevraagd naar je moeder was je heel resoluut: beppe was de goedheid zelve, volgzaam en sprak pake alleen tegen als het echt nodig was.

In Bergum vonden we al snel het raadhuis en dus de woning ertegenover waar jij met pake en beppe en je zusje Sjoerdje de oorlogsjaren hebt doorstaan. Je vertelde over de verduisteringen en hoe je bij kaarslicht je huiswerk moest maken. Pake speelde als politieagent een dubbelrol, hij hielp ook het verzet. 's Nachts had hij tijdens een patrouille een been gebroken en was met paard en wagen naar het ziekenhuis gebracht, je herinnerde je de ongerustheid van je moeder. Je vertelde met smaak over de overval op het gemeentehuis waar distrubutiebonnen buit gemaakt werden. Het verzet had de telefoondraden daar doorgeknipt en pake had de Duitsers bij de deur weggejaagd toen ze bij jullie de telefoon wilden gebruiken. 'Pake was brutaal', zei je met een glinstering in je ogen en je zag de Duitsers nog terugdeinzen en struikelen over de struiken in de tuin. Je herinnerde hoe je na spertijd vanaf de familie Wolters, die achter het gemeentehuis woonden, in het duister onopgemerkt weer naar huis ging, je kon precies vertellen hoe je dat deed. Je raakte bevriend met Tine Wolters.

Tine Wolters woonde weer in Bergum en we zochten haar op. Ze was thuis. Ik weet niet wat er met je gebeurde, maar toen we bij Tine aan de thee zaten, zag ik je veranderen. Het was alsof jullie samen weer de vriendinnen werden uit de jaren '40, toen jullie nog jong waren, toen het leven voor jullie nog open lag. Je was op dat moment even mijn moeder niet meer, je was Baukje geworden. Anekdotes vlogen over de tafel, er werd gelachen, herinneringen werden aan elkaar getoetst. Alles in het Fries natuurlijk. Toen we weer naar huis reden was je moe, maar voldaan.

Na de oorlog maakte je de mulo af en er volgde een periode met verhuizingen en verschillende baantjes. Je begon te werken op de dag dat je 16 werd, bij een kantoor voor ziektewetuitkeringen. Pake had graag gezien dat je onderwijzeres was geworden, maar jij wilde niet meer naar school, je wilde werken, je eigen centjes verdienen. Toen pake les ging geven in Bilthoven op de De Varenkamp, moest je meeverhuizen, je was nog niet meerderjarig. Na een tijdje thuis zitten, kreeg je een baantje bij een schildersbedrijf waarvoor je de kwitanties moest innen. Je vertelde over het baantje bij de Amerikanen, waar je zorgde voor de kinderen, je ving ze op uit school, kookte eten voor ze en gaf ze Nederlandse les. In deze tijd leerde je ook de familie Lubbers kennen via de catechisatie en dus uiteindelijk ook papa toen hij weer uit Indië terugkwam. Je vertelde over een andere jongen waar je verliefd op was geraakt, maar die verhuisde met zijn ouders naar Australië. Je mocht mee, maar dat mocht niet van pake. Jullie zouden schrijven, maar je ontving nooit brieven terug. Later bleek dat pake de brieven had onderschept en verscheurd. Je had ook met de Amerikanen mee gekund toen die weer naar Amerika verhuisden, dat mocht wel van pake, maar dat wilde papa niet, hij wilde niet op je wachten en je koos voor papa. Je vertelde dat je toen bij de spoorwegen ging werken in Amsterdam, bij een douanekantoor vlak bij Artis, je kon soms de leeuwen horen brullen. Je vertelde dat je ging werken bij een professor in Rotterdam en als een soort au pair voor de kinderen ging zorgen.

Toen je ging trouwen met papa, moest je stoppen met werken. Zo ging dat in die tijd, zei je. Het was onrechtvaardig, vond je. Ergens had je de wens zelfstandig te zijn en op eigen benen te staan, je was geëmancipeerder dan papa wilde toestaan. Of: papa was ouderwetser dan je lief was. Je was geen huisvrouw in hart en nieren. Toen Jouke en Marian groot genoeg waren, had je weer willen gaan werken, maar toen kwam ik om een spaak in het wiel te steken. Je bleef wegen zoeken om actief te blijven. Je ging bij mensen thuis het huishouden doen om te sparen voor een reis naar Curaçao waar je zus en zwager ondertussen met hun zoon woonden. Je werd actief bij de plattelandsvrouwen, je hebt zelfs in het bestuur gezeten als ik het me goed herinner. Je liet je opleiden tot lerares volksdansen en je ging volksdansles geven, vooral aan ouderen. Ik zie je nog bezig in de keuken met je cassetterecorder, ik kan de muziek nog horen, ik zie je de passen oefenen. Je verdiende daarmee wat eigen centjes en je bleef dat stug volhouden tot ongenoegen van papa. En het voordeel van dit werk was, zo vertelde je me later, dat je thuis kon zijn ,voor mij, als ik uit school kwam. Want dat was de rol die op de eerste plaats kwam: je was moeder en dus wilde je goed voor je kinderen zorgen. Maar het moederschap bracht ook iets anders mee, iets wat je niet meer hebt losgelaten: je werd zorgelijk, soms was je niet meer Baukje, maar 'de moeder'.

Wellicht uitte je je liefde in die bezorgdheid. Altijd was je bang dat ons iets zou overkomen, dat het niet goed met ons zou gaan. Je ging piekeren en je kon er vaak niet van slapen. Niet dat je ons opsloot in je zorgen, maar als ik zelfstandig naar de middelbare school ging fietsen, was jij bezorgd. Toen ik op kamers ging wonen, maakte jij je zorgen of het allemaal wel goed zou komen. Ik weet nog mijn trouwdag, je kwam aan in Doetinchem, liep op me af en je eerste reactie was, dat je opgelucht was dat ik er netjes uitzag, je had je zorgen gemaakt. Daarnaast leidde je zorgelijkheid ook tot een hang naar controle. Graag wilde je dat alles verliep zoals jij het wenste, graag hield je de regie in eigen handen. Je ging je eigen rol en taken afschermen en mopperde als papa weer eens een en ander voor je had weggenomen.

Soms denk ik, dat het moederschap je niet lag, maar je had ervoor gekozen dus nam je je verantwoordelijkheden. Was je wel gelukkig als moeder? Niet dat je me ooit het gevoel hebt gegeven dat wij als kinderen een last waren. Integendeel, je zorgde uitstekend voor ons en je was op jouw manier een liefhebbende moeder. Maar had je niet liever de mogelijkheden gehad die jongere generaties vrouwen nu wel hebben?

Je haalde je eigen moeder naar Menaldum en ging voor haar zorgen toen ze verschijnselen van dementie vertoonde, je vond het je plicht, maar het was ongetwijfeld meer dan dat. Het liefste had je haar in huis genomen, maar daar stak papa een stokje voor.

Ondertussen werd je hartpatiënt en je raakte in het ziekenhuis. Je zus wist je te ontlasten door te zorgen dat beppe in een verzorgingstehuis terecht kwam. Dat was moeilijk voor je en toen begon een tijdperk van het trouw op een neer reizen naar Toutenburg. Soms ging ik met je mee en zag ik hoeveel energie en hoeveel verdriet het je kostte. Toen papa er niet meer was, had je wellicht gehoopt dat je kinderen met dezelfde intensiteit voor jou zouden gaan zorgen en je kon maar moeilijk begrijpen dat dat niet ging lukken.

Met je gezondheid kwam het niet meer goed. Je moest gedotterd worden en uiteindelijk kreeg je een bypass. Je moest stoppen met volksdansen. Papa was ondertussen met pensioen, de kinderen allang het huis uit. Er kwamen kleinkinderen en jullie waren dol op ze. Jullie gingen nog samen op vakantie, iets waar je volgens mij van genoot, want je had gehoopt dat als papa met pensioen was en de kinderen het huis uit, je meer van de wereld zou kunnen zien. Toch, als ik dan vroeg hoe de vakantie geweest was, kwam er het antwoord 'van mij had het niet gehoeven, maar ik doe het nog voor je vader' en als ik het papa vroeg kreeg ik de variant 'van mij had niet gehoeven, maar je moeder wilde het zo graag'.

Soms zag ik een teleurgestelde vrouw, die in de loop der jaren steeds minder wilde en klagerig werd. Naar de buitenwereld was je altijd vriendelijk, geïnteresseerd en hartelijk, maar wij kinderen zagen maar al te vaak de andere kant van de medaille. Toen papa na een aantal tia's passiever, rustiger en milder werd, begon je er moeite mee te krijgen dat 'die man altijd maar thuis zat'. Papa was tot steeds minder in staat en dat maakte je onrustig. Toen hij op een dag zomaar dood naast je neerviel, had hij je in de steek gelaten en was je boos.

De grote stilte trad in. Je huis werd steeds meer een eilandje in de grote wereld. De buren hielden een oogje in het zeil en hielpen je me praktische zaken en daar was je ze heel dankbaar voor. Daarnaast kwamen de zusters 's ochtends en 's avonds voor de steunkousen. Je bezocht op donderdag je vriendin, mevrouw Braaksma, op zondag ging je nog met de auto naar Franeker om mevrouw Hoeksema op te zoeken. Op vrijdag kwam de vaste hulp Joke met wie je al gauw een goede band opbouwde. Marian deed je administratie en hield je ook goed in de gaten, maakte rond feestdagen uitstapjes met je en stond zonodig voor je klaar. Blij vertelde je me aan de telefoon wanneer Yvonne weer eens langs geweest was of in de tijd dat Jouke nog wel eens met de bus langsreed, dat hij dan even toeterde. Tante Sjoerdje belde je elke maandagavond en ik belde je geregeld – zolang ik maar niet belde als je je series aan het kijken was – en dan praatte je me bij over de ontwikkelingen in de Tour de France of de Giro, in de winter waren er de schaatswedstrijden en in de tijd dat Nederland het nog goed deed met voetballen, wist jij precies wat er allemaal goed en mis was gegaan. Maar ook dat er een einde gekomen was aan het trouw bezoeken van de kerk op zondagochtend en dat je nu de kerkdiensten op televisie bekeek, waarbij je met een ondeugende glimlach in je stem vertelde dat het dan wel een katholieke dienst was. Maar zo'n priester kon ook goed preken hoor, stelde je me gerust. IJverig spelde je elke dag de krant uit, aan dezelfde tafel waaraan ook je vader vroeger de krant gelezen had. De kruiswoordpuzzel in de krant moest altijd af, want de buren met wie je de kranten deelde mochten niet zien dat je iets niet geweten had. En of ik ook wel eens naar De slimste mens keek. Je wilde mentaal actief blijven, je was bang dat je je moeder achterna zou gaan en je was trots op alles wat je nog wist.

Gekscherend zei ik wel eens dat als je je medicijnen maar nam, je wel honderd kon worden. Maar of je dat geloofde? Het mocht niet zo zijn. Natuurlijk had ik wel gezien dat je fysiek steeds verder achteruit ging en natuurlijk had ik me zorgen gemaakt. Je liet je ook wel eens ontvallen dat het allemaal niet meer hoefde, maar met mijn ontregelende grapjes wist ik vaak nog een glimlach in je stem te toveren. Maar dat je op een ochtend anders zou opstaan dan dat je de avond tevoren naar bed was gegaan, dat een herseninfarct de laatste illusies wegnam, dat had ik niet voorzien. Toen ik je in Leeuwarden opzocht zag ik een vrouw die de slag verloren had. Ik heb een goed leven gehad, zei je, er mag nu wel een einde aan komen. Toen je naar St. Annaparochie werd gebracht, kwam het tragische besef dat je niet meer naar huis zou gaan, dat je uit je vertrouwde wereld was weggerukt en dat het niet meer goed zou komen. Je had het zolang volgehouden om zelfstandig te wonen. Het enige thuis dat je nog wilde was niet van deze wereld.

Toen ik je met Marian, Hans en Jouke afgelopen zondag aantrof, lag je zwaar ademend in bed. We hadden zo met je te doen en we vermoedden dat het einde waarnaar je verlangde in aantocht was. De arts kwam je onderzoeken en deed het hoofdeinde van het bed omhoog. Je kwam uitgeput tot rust. Wij haalden opgelucht adem en terwijl de arts uitlegde dat deze fase nog wel een aantal dagen kon duren, merkten we op dat je niet meer ademde. Alsof je gewacht had tot we allemaal aan je bed stonden, alsof je er stiekem tussenuit kneep. Het was volbracht en ik wist dat ik nu ook een thuis verloren had.

Vogels floten noch vlogen
anders dan anders, die zondag,
en, in tig tinten gebroken wit
waaiden wolken traag voorbij –

terwijl toen toch echt de lente
doodgewoon begon.

[ het gedicht IN MEMORIAM van Mark Iske ]

Maar soms, soms zal ik uit het raam kijken en dan zal ik een auto zien arriveren met papa achter het stuur en jij ernaast. Altijd minimaal een half uur eerder dan afgesproken. Dan zal het 'daar zijn ze al' klinken. En dan zie ik je binnenkomen, beladen met allemaal tassen en voordat we rustig kunnen gaan zitten, voordat ik je kan vragen of je koffie of thee wilt, worden de tassen uitgepakt met de droge worst voor mij, de chocolade voor Wendy, de snoep en speelgoed voor de kleinkinderen en soms ook nog een suikerbrood uit de supermarkt. Pas dan mag je jas uit, pas dan mogen we gaan zitten, pas dan mogen we de koffie en de thee maken en het lekkers presenteren dat jij ook nog meegenomen hebt. Pas dan zit de reis erop en mag de rust en de stilte neerdalen.

Mama, weet je nog, dat toen ik net op kamers was gaan wonen, je me 's avonds wel eens gewoontegetrouw riep als de koffie klaar was, maar dat je je dan pas realiseerde dat ik niet meer thuis was? Zo zal ik de komende tijd wel eens de telefoon pakken omdat ik je dan nodig weer eens moet bellen. Maar het 'met mama' zal ik niet meer horen en verdorie, wat zal ik dat toch missen.

[ na afloop klonk deze muziek ]

1717

8 maart 2019

Of dat het uiteindelijke geheim van elke tekst, van elk kunstwerk, van elke handeling die we al dan niet verrichten, en zelfs van elk leven alleen maar bestaat uit wat we er zelf in willen leggen?
Peter Verhelst Voor het vergeten, 123

Je bestaat uit een zin waar je je hele leven naar op zoek lijkt, maar in werkelijkheid vinden de woorden jou, ze hebben de wereld rondgereisd om in die bepaalde volgorde op jouw tong te komen liggen.
Peter Verhelst Voor het vergeten, 161

Sigaretten vormen de interpunctie van het leven.
Alejandro Zambra Mijn documenten, 131

Maar soms is het ergst denkbare juist het beste wat je kan overkomen.
Alejandro Zambra Mijn documenten, 170

Ik ben verslaafd aan eenzaamheid, zegt hij, als een tegeltjeswijsheid.
Alejandro Zambra Mijn documenten, 206

1716

3 maart 2019

Agnes Martin (1912-2004)
Mountain I (1966)

1715

23 februari 2019

Het was windstil die ochtend waardoor het verre gebrom van de snelwegen afwezig was en de zang van de vogels helderder hoorbaar was. Het waren er nog niet zo veel. Sinds kort maak ik gebruik van een smartphone en ik probeerde de geluiden op te nemen, maar later bleek dat het geluid te ver weg was.

Jazeker, een smartphone, revolutie in huize Lubbers. Het was me opgevallen hoe aanwezig zo'n apparaat in de levens van anderen is, dat ik aarzelde om er zelf één in gebruik te nemen. Mijn oudste zoon had een nieuwe gekocht en ik mocht zijn oude apparaat wel gebruiken om te kijken of het me zou bevallen. Op de camera zaten vlekken (het laten schoonmaken had uiteindelijk niet geholpen) en er was niet meer goed muziek op te luisteren. Welkom in de wereld van whatsapp, dat wel.

Er zijn mensen die me verzekeren dat ze niet meer zonder kunnen en die afhankelijkheid niet vreemd vinden. Het is onderdeel geworden van hun identiteit. Er wordt in toenemende mate vanuit gegaan dat je zo'n apparaat hebt, overal is tegenwoordig een app voor (en is er dan niemand die bezwaar maakt tegen de lelijkheid van dat woord 'app'?!). Nu heb ik dan ook zo'n ding en ik observeer wat het met me doet. Vooral die neiging om steeds even te kijken, dat irriteert me. Zoals ik vroeger altijd een gelegenheid zocht om te roken. Wellicht is de smartphone het nieuwe roken.

1714

19 februari 2019

Strindberg woonde in 1892-1893 in Berlijn en verbreidde Nietzsches faam via een onstuimige kosmopolitische kring van bohemiens die bekendstond als Zum Schwarzen Ferkel, naar hun favoriete drankhol. De Noorse kunstenaar Edvard Munch maakte deel uit van de kring en Strindberg wijdde hem in in Nietzsches geschriften, wat zo'n diepgaande uitwerking had dat Munch 'De schreeuw' schilderde. Het schilderij vatte de tijdgeest als geen ander samen: Munch had de definitieve icoon van existentiële angst gemaakt door de consequenties van de dood van God te overdenken, en de successieve verantwoordelijkheid van de mens om de zin en betekenis van het leven te ontdekken. Algauw gereproduceerd in de vorm van litho's en grafische drukprenten, veroverde het de galeries en tijdschriften van Duitsland en Parijs.

Sue Prideaux Ik ben dynamiet, 369-370

Edvard Munch (1863-1944)
The Scream (1893)

Een brinicle is een onderwatertornado, in gang gezet door de botsing van warme lucht en koud zeewater, waarbij een slurfvormige zoutpegel zich een weg schroeft naar de bodem. Zodra de pegel de bodem heeft bereikt, breidt hij zich als ijsschimmel uit. Alles wat erdoor wordt aangeraakt bevriest.

Zo'n brinicle doet zich ook voor in De schreeuw van Edvard Munch. Kijk naar de schedelkop met opengesperde mond en ogen, verstard in ontzetting. Schedelkop houdt zijn oren dicht omdat hij het niet meer wil horen, dat sterven van zijn geliefde. Uit zijn mond komt geen schreeuw, maar stilte. Alles moet stil zijn! Dat is de ware aard van Orpheus, zoon van Apollo; om dit uiteindelijk voort de brengen heeft hij zich al die jaren bekwaamd in de muziek van de stilte. Alles wat hij daarmee aanraakt verstomt en verstart: de bomen (geen geruis meer), het gras (geen geritsel meer), de vogels, de insecten, de mensen. Hoe meer hij die muziek-van-de-stilte speelt, hoe roerlozer alles om hem heen wordt, verglaasd, tot Orpheus uiteindelijk ook zelf... Eindelijk. Zijn mond opengesperd als die van zijn geliefde Eurydice.

Peter Verhelst Voor het vergeten, 274

1713

11 februari 2019

Schrijf de auteur niet de wet voor, maar probeer door zijn ogen te kijken. Wordt zijn medewerker en handlanger. Als je afstand bewaart en begint met reserves en kritiek, zul je nooit volledig kunnen genieten van wat je leest. Maar als jij je zo veel mogelijk open stelt, zul je via bijna onmerkbare nuances van wenken en signalen, vanaf de onverwachte wendingen van de eerste zinnen, in de nabijheid komen van een uniek mens. Maak de tekst tot de jouwe, dompel je erin onder, en je zult zien dat je auteur je iets geeft, of probeert te geven, dat veel scherper omlijnd is.

Virginia Woolf Hoe lees je een boek?, 212-213

1712

8 februari 2019

Dat ik alleen maar dat wil: rekenschap geven van wie ik ben en hoe ik leef en geleefd heb in een boek, is nog altijd zo.
Frida Vogels Dagboek 1972-1973, 144

(...) hoe ik het wil schrijven, hoeveel moeite het me kost, hoe ik telkens weer opnieuw alle weerstanden moet overwinnen, maar ook hoe mieters het is als het lukt en dat ik niets anders wild dan dat.
Frida Vogels Dagboek 1972-1973, 186-187

Dat de aarde drie miljoen jaar oud is, dat de mensheid maar één seconde bestaat, dat de vermogens van de menselijke geest niettemin onbegrensd zijn, dat het leven oneindig mooi en toch afstotelijk is, dat wetenschap en godsdienst samen het geloof hebben vernietigd, dat alles wat verbindt lijkt verbroken, maar dat er toch enig gezag moet bestaan – in deze sfeer van twijfel en tegenstrijdigheid moeten schrijvers tegenwoordig hun scheppende werk verrichten, en het tere weefsel van een lyrisch gedicht is net zo min geschikt om dit gezichtspunt te omvatten als een rozenblaadje past rond de ruige massa van een rotsblok.
Virginia Woolf Hoe lees je een boek?, 184

De illusie dat met elk smeltend sneeuwkristal schoonheid verloren gaat die nooit kan worden herhaald.
Peter Verhelst Voor het vergeten, 105

Wat is wind anders dan stilte die in beweging komt?
Peter Verhelst Voor het vergeten, 106

1711

4 februari 2019

's Ochtends had ik nog overwogen om de reis te annuleren, maar er werd op mij gerekend, dus ik ging. Toen ik uiteindelijk bij het gebouw aankwam, verzette zich alles in mij om naar binnen te gaan, maar ik ging naar binnen. Ik was gewaarschuwd, dus toen ik na het vinden van de juiste weg bij haar kamer aankwam, verbaasde ik me niet, maar voelde ik me treurig omdat de waarschuwingen terecht waren geweest. Ze sliep maar werd snel wakker. Ik herkende haar en toch was ze onherkenbaar.

Mijn oudste zoon duwde haar in de rolstoel naar de huiskamer waar al enkele andere patiënten zaten. Alleen het personeel groette en ik stelde me voor. De huiskamer was geen huiskamer, eerder een wachtkamer, daar bracht zelfs de televisie in de hoek geen verandering in.

Ik keek naar mijn moeder en ik zag een vrouw die de slag verloren had. Ze had het volgehouden om in haar eigen huis te blijven wonen, zo goed en zo kwaad als dat ging, met zeer behulpzame buren. Weliswaar ging het allemaal niet zo goed meer en wij, haar kinderen, hadden ons zorgen gemaakt, maar het was haar thuis, ze wilde er niet weg. Ze kon er wel honderd worden als ze maar haar medicijnen innam. Maar in een nacht, in haar slaap, was er toch een propje geweest in een ader die een bloeding had veroorzaakt en zo was ze niet meer helemaal zichzelf toen ze de volgende ochtend wakker werd.

Ze prevelde monotoon en ze keek in een afwezige verte. Haar ogen waren mat, het licht was gedoofd. Ze wilde naar huis ook al kon ze niet meer naar huis, maar alles leek haar beter dan de verveling die ze hier ervoer. Het eindeloos zitten en in bed liggen. Het hoefde van haar niet meer, ze wilde niet meer, ze had een mooi leven gehad, zei ze. Er was haar een groot onrecht aangedaan, maar wie moest ze beschuldigen? Ze was haar thuis kwijt en waarschijnlijk zou ze het nooit meer terug vinden.

Het maakte me treurig en al deed ik moeite opgewekt te blijven, ik had al snel door dat mijn halfslachtige pogingen om haar wat vrolijker te maken zinloze pogingen waren. Natuurlijk had ik gehoopt dat onze aanwezigheid verschil zou maken en wellicht was dat ook zo, maar ze kon het niet meer tonen.

We gingen nog naar het restaurant. Misschien dat een wisseling van omgeving iets zou veranderen, maar ze leek alle interesse verloren. Ik had mijn moeder nooit ervaren als een opgewekte en warme persoonlijkheid, maar ze was tenminste altijd zorgzaam geweest. Ik had vaak moeite gehad met haar manieren om gezelligheid te creëren, maar nu ze geen enkele moeite meer deed, miste ik haar oude manieren. Nee, mijn moeder was in mijn leven nooit iemand geweest met een optimistisch levensgevoel, maar het was me altijd gelukt om haar te bereiken, haar op te monteren, haar zwaarte lichter te maken. Maar dit gewicht kon ik niet aan, ik voelde me al snel knock-out. Eigenlijk wilde ik weg en al stelde ik het uit, omdat ik haar zo niet wilde achterlaten, ik wist dat het moest. Het gevoel dat we samen aan de rand van de afgrond stonden en dat ik me ging omdraaien om naar huis te gaan terwijl zij klaar was voor de sprong. Ik sprak met mezelf een moment af en toen het zo ver was, reed ik haar rustig terug naar de huiskamer, voor het raam, waar ze ging wachten op het avondeten, waar ze ging wachten tot ze haar naar bed brachten, waar ze ging wachten ...

Toen ik wegging, keek ik nog even om. Haar hand zwaaide, maar haar hoofd was afgewend.

Buiten gekomen haalde ik diep adem. Het was koud, maar de zon scheen. Al zal ik belangstellend blijven en al zal ik haar blijven bezoeken, ik nam me ook voor haar langzaam maar zeker los te laten. Ik wist dat het grote afscheid nemen begonnen was.

1710

3 februari 2019

Lucio Fontana (1899-1968)
Spatial Concept: Expectations (1967)

1709

19 januari 2019

Mijn vader zei: Ook de haan die niet kraait ziet de zon opgaan
Athena Farrokhzad Een witte suite, 16

Er is een stomheid die niet vertaald kan worden
Athena Farrokhzad Een witte suite, 28

Mijn oom zei: Wat zal er met ons gebeuren als we onze bevrijding hebben bevochten / met dezelfde middelen die ons gevangen hielden
Athena Farrokhzad Een witte suite, 40

Er is een woord dat als laatste de mens verlaat / Morgen ben ik een lettergreep naderbij
Athena Farrokhzad Een witte suite, 66

Het levende is niet het tegendeel van het dode, maar een speciaal geval.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 377

1708

18 januari 2019

Te volwassen voor nieuwe dageraden, en te veel eeuwen doorgrond om naar meer te verlangen, blijft ons niets over dan ons te wentelen in het afval van de beschavingen.
Cioran Een kleine filosofie van verval, 184

Niemand heeft de moed uit te roepen: 'Ik wil niets doen!' – men is toegeeflijker jegens een moordenaar dan jegens een van daden vrijgevochten geest.
Cioran Een kleine filosofie van verval, 236

De tijdperken van angst overheersen die van kalmte; de mens ergert zich meer aan de afwezigheid dan aan een overdaad van gebeurtenissen; zo is de Geschiedenis het bloedige voortbrengsel van de menselijke weigering zich te vervelen.
Cioran Een kleine filosofie van verval, 255

Wandelen is verzet tegen de alomvattende snelheid.
Eric Brinckmann Wandelen met meester Li, 17

Mijn moeder zei: Onderschat nooit de moeite die mensen doen / om waarheden te formuleren die ze kunnen verdragen
Athena Farrokhzad Een witte suite, 8

1707

16 januari 2019

Wanneer de bodem nog vochtig is van de regen en er geen waterplassen op liggen, dan veert de bodem zo heerlijk mee tijdens het lopen.

Twee vogels lijken elkaar van alles toe te roepen, de ene vlakbij, de andere verder weg. De roddelaars van het bos.

Terwijl ik over een smal pad op een verhoging in het landschap balanceer, zie ik hem lopen op het heideveld. Statief met camera onder de arm, zou het een vogelaar zijn? Er zijn wel vaker vogelaars op het heideveld. Meestal posten ze dan op een heuvel en zijn dan pontificaal zichtbaar in de weide omtrek. Elke keer vraag ik me af waarom die nadrukkelijke aanwezigheid mij stoort en waarom ik bij voorbaat al ergernis voel. Maar deze jongeman loopt door en ik zie hem pas weer wanneer ik op mijn favoriete plek geniet van de omgeving, maar dan is hij weer snel uit mijn blikveld verdwenen.

Ik heb daar al zo vaak gestaan, maar elke keer is het uitzicht anders. Geen zon vandaag, alleen maar een grijze lucht, ik kan geen wolken onderscheiden of het moeten de vele schakeringen in het grijs zijn. Ik kan aan de geluiden van de snelweg horen dat de wind uit het zuiden komt, maar ik lijk de geluiden als enige op te merken. De bomen op het heideveld, de vogels in de lucht, het water in het ven, alles lijkt stoïcijns het dreigende gebrom te negeren. Wat de mensheid ook uitspookt, hier gaat alles verder alsof er niets aan de hand is, zoals het al voortging voordat de mens ten tonele kwam. De mens? Ach, een zucht op de eeuwigheid, ook die plaag gaat wel weer voorbij. Het zal even duren voordat de schade hersteld is, maar uiteindelijk zal het cirkelen rond een natuurlijk evenwicht op deze blauwe planeet weer terug zijn wanneer de verwoestende parasiet is uitgestorven.

Mijn blik gaat van de grijze wolken naar de zoom van het bos, over de heuvels van het heideveld langs de eenzame bomen, langs de boom met het bankje, naar de bolle brug over het drooggevallen kanaaltje naar het ven. Goedbeschouwd zijn er geen overgangen. Als ik mezelf als middelpunt neem, dan bevind ik mij in een onzichtbare koepel waarbinnen alles maar doorgaat en doorgaat en alles met elkaar verbonden lijkt en ik probeer me te realiseren dat ik daar een onderdeel van ben.

Het geluid van een vogel achter me haalt me uit mijn mijmeringen. Ik kijk om en zie een koolmees op een tak energiek 'zingen'. Onthouden, vermaan ik mezelf, onthouden dat dit het geluid van een koolmees is.

Wandelen plus mijmeren is een vorm van zwerveren, noteer ik.

Bij een kruispunt zie ik in mijn ooghoeken een hoopje oude bladeren bewegen. Stil blijf ik kijken of er een dier tevoorschijn komt. Een vogel, een muis of misschien zelfs een eekhoorn? Wanneer iemand achter mij mij een goedemorgen wenst, schrik ik op. De jongeman met het statief onder de arm. Ik groet hem terug en zie zijn glimlach. Ik voel me betrapt al weet ik niet waarom. Ik merk op dat hij rossig haar en een lichte huid heeft, zoals ikzelf vroeger, en sjofel gekleed gaat. Hij wandelt verder op het pad dat ik ook wilde gaan, dus geef ik hem een voorsprong, zodat ik hem niet voortdurend in de rug zal zien. Uiteindelijk neemt hij een afslag die ik niet zal nemen.

Een dof geroffel doet mij omhoog kijken. Meestal kan ik spechten niet localiseren, maar deze zie ik meteen. Dat hij geen koppijn krijgt van dat hameren. Hij vliegt naar een andere boom, wellicht om uit te proberen of deze boom uit beter hout gesneden is, maar ook deze klinkt dof. Hij probeert nog een ander exemplaar, maar als deze hetzelfde klinkt, vliegt de specht weg. Een groep ganzen vliegt in een v-vorm gakkend over.

De natuur roept en ik probeer in te schatten of ik thuis nog zal halen. Waarschijnlijk niet en aangezien ik geen zin in het voelen van nattigheid heb, kijk ik goed om me heen of ik geen mensen zie of beter: dat ze mij niet kunnen zien. Terwijl ik water tegen een boom, voel ik daar de vreemde sensatie van een koude bries.

Het kathedralenpad is vooral besprenkeld met naalden uit naaldbomen, behalve ergens halverwege, daar is een stuk alleen maar bedekt met bladeren. Hier is het mooi om omhoog te kijken, naar het plafond van overhellende takken. In de ruimte tussen de takken is de lucht te zien. Het is de ruimte die de patronen van de takken laat zien, hoe ze in elkaar grijpen, hoe ze een doolhof van lijnen vormen. De leegte, de ruimte maakt beweging en aanwezigheid mogelijk. De stilte het geluid.

Verderop kom ik een boompje tegen met alleen maar flinterdunne, uitgedroogde, bruine bladeren. Hij ziet er heel kwetsbaar uit, zijn blad verpulvert vast wanneer ik het aanraak. In gedachten troost ik hem, dat de bladeren over een paar maanden weer helemaal groen zullen zijn.

1706

15 januari 2019

De wetenschappen bewijzen onze nietigheid. Maar wie heeft er de laatste les uit getrokken? Wie is held geworden van de totale luiheid? Geen mens kruist zijn armen: wij zijn bedrijviger dan de mieren en de bijen. Nochtans, als een mier, als een bij – door het mirakel van een idee of een verleiding tot eigenaardigheid – zich afzonderde van de mierenhoop of de zwerm, als zij van buitenaf het spektakel van haar inspanningen beschouwde, zou zij haar arbeid dan nog volhouden?

Enkel het denkende dier heeft niets geleerd van zijn filosofie: het stelt zich terzijde op – en volhardt niettemin in dezelfde vergissingen, ogenschijnlijk efficiënt maar zonder enige realiteit. Van buitenaf gezien, vanuit om het even welk archimedisch punt, is het leven – met al zijn overtuigingen – niet meer mogelijk, zelfs niet meer voorstelbaar. Men kan slechts handelen tegen de waarheid in. De mens begint elke dag opnieuw, ondanks al wat hij weet, tegen al wat hij weet in. De helderziendheid is in rouw, maar – vreemde besmetting – die rouw is zelf actief; zo worden we meegesleept in een rouwstoet naar het Laatste Oordeel; zo hebben we van de laatste rust zelf, van de finale stilte van de geschiedenis een activiteit gemaakt: het is de enscenering van de doodsstrijd, de behoefte aan dynamiek tot in het gereutel...

Cioran Een kleine filosofie van verval, 74-75

'Je uren waar zijn ze heen gegaan? De herinnering aan een beweging, het teken van een passie, de roem van een avontuur, een mooie en vluchtige dementie – niets van dat alles in jouw verleden; geen delirium draagt je naam, geen fout die je eert. Je bent verdwenen zonder spoor; maar wat was dan je droom?'

'Ik had Twijfel willen zaaien tot in de ingewanden van de aarde, de materie ervan doordrenken, hem doen heersen tot waar de geest nooit zal doordringen, en nog voor het bereiken van het merg van de mensheid: de stilte van de stenen schudden, er de onzekerheid en de zwaktes van het hart invoeren. Als architect had ik een tempel van de Ondergang opgericht; als predikant de farce van het gebed geopenbaard, als koning de vlag van de rebellie geplant. Omdat de mensen een geheim verlangen koesteren om zich te verloochenen, had ik overal de ontrouw opgewekt, de onschuld in ontsteltenis gestort, de zelfverraders vermenigvuldigd, de mensen verhinderd te bederven op de composthoop van zekerheden.'

Cioran Een kleine filosofie van verval, 234-235

1705

12 januari 2019

Giovanni Giacometti (1868-1933)
Alberto Reading (ca. 1914)

Giovanni Giacometti (1868-1933)
Alberto Reading (ca. 1915)

1704

8 januari 2019

Onder de invloed van dat bewustzijn, van die ongeneeslijke aanwezigheid, heeft de mens toegang tot zijn grootste voorrecht: zichzelf te verliezen.
Cioran Een kleine filosofie van verval, 148

Het is omdat we allemaal oplichters zijn dat we elkaar verdragen.
Cioran Een kleine filosofie van verval, 165

(...) de mens leeft ook niet meer in het bestaan, maar in de theorie van het bestaan...
Cioran Een kleine filosofie van verval, 176

Elke beschaving stelt een antwoord voor op de vragen die het universum opwekt; maar het mysterie blijft intact – andere beschavingen, met nieuwe nieuwsgierigheden, wagen zich eraan, even tevergeefs, elk van hen niet meer dan een systeem van vergissingen...
Cioran Een kleine filosofie van verval, 178

Hij wilde een boek schrijven waarin je kon wonen.
Donald Niedekker Wolken &c., 330

1703

7 januari 2019

Hij wist immers bij uitstek het moment te huldigen en voelde zich verwant met de taoïstische dichters die elk systeem, elk principe spotziek afwezen, terwijl ze hun vervulling vonden, ook als kluizenaar in de bergen, in een vrij en blij zwerven.

Periodiek speelde het verlangen naar het grote verhaal op. Alleen, na alle ontgoocheling, na de grote onttovering, wie beheerde dat verhaal? Wie waren de uitleggers, de priesters? Welke rituelen bestendigen dat verhaal? Welke geboden en verboden hoorden daarbij?

Het grote-verhaal-sentiment was voornamelijk heimwee, als dat naar de kinderkamer, de tuin uit je jeugd met de kastanje, de schommelbank bij je grootouders, een verre zomer. Een nostalgisch, vertekend terugverlangen.

Hij draaide zich vast in voors en tegens, in mitsen en maren, en uiteindelijk bleef alleen het onbestemde over als garantie voor zijn vrijheid en legitimatie van zijn zoektocht. De onwil zich vast te leggen, de ingeschapen neiging te ontsnappen aan alles wat hem wilde vastgrijpen, definiëren, begrijpen.

Voilà, het punt waar je het niet meer met redeneren redt, waar het verstand de boel niet meer bij elkaar houdt, het punt waar je je in louter tegenstrijdigheden dreigt te verstrikken, terwijl je haarfijn aanvoelt dat je dichterbij bent, dichter bij dan ooit, maar je redt het niet met je gewone woorden, dan moet je zingen.

Hij ging een brood bakken. Na de eerste gisting had hij een mooie elastische deegklomp. Hij kon niet ophouden met kneden, zijn handen en het houten aanrechtblad bestoven met bloem. Toen het brood uit de oven kwam verspreidde de gloeiendhete korst een knisperend knapperen. Hij at het zware brood met tomatensoep en bosuien.

Donald Niedekker Wolken &c., 218-219

Zijn huidig schrijven, dat zijn weg vond als een niet-schrijven, als een stromen, een meanderen, een onopzettelijk voortgaan, als een zich delend vermeerderen, uitbreiden, raakte aan het taoïstische 'wu wei', het doen door niet-doen, en vaak vroeg hij zich af of hij de auteur was of slechts als medium voor een andere stem diende. Hij gaf het krediet aan de concentratie. De langdurig en consequent op één punt gebundelde aandacht opende in hem, als bij andere schrijvers, kunstenaars, dichters, profeten, onvermoede bewustzijnniveaus, waar als in een vruchtbare humuslaag verhalen, beelden, klanken rijpten en wachtten tot de voor hen gunstige omstandigheden ze deden opbloeien in de vorm van gedichten, romans symfonieën, openbaringen, balletten.

Ook als hij zich overgaf aan divertimento, aan vermaak en afleiding, aan verstrooiing, bleef als hij een kritiek punt was gepasseerd de concentratie in hem bestaan als een grondtoon waar hij zich op elk moment op aan kon sluiten.

Dit was schrijven als zingen, als vliegen, als dansen. De dalen vullen met je stem, over water lopen, de wereld vangen in een vingerhoed en er als een goochelaar met lange theatrale halen een eindeloze sliert verhalen in regenboogkleuren uit opdiepen.

Donald Niedekker Wolken &c., 222-223